Heb ik iets tegen moslims? Ik dacht van niet. Overcorrect groet ik alle moskeegangers in mijn straat, en in discussies herhaal ik steevast dat de meerderheid van de moslims geen bommen legt in metro’s en bussen. Bovendien wíl ik helemaal niet bevooroordeeld zijn. En toch ben ik het, blijkt uit een computertestje. De implicit attitude test (een papieren versie staat op pagina 27) meet onbewuste vooroordelen tegenover andere sociale groepen, door de proefpersoon woorden of beelden te laten categoriseren. Ik blijk een moderate preference voor niet-moslims te hebben. En als dat al voor mij geldt, met al mijn goede intenties, hoe brengt het minder politiek-correcte deel van de bevolking het er dan vanaf?

Het gaat slecht tussen Nederland en de islam. Nergens heeft de autochtone bevolking zo’n ­negatief beeld van moslims als in Nederland. In een recent onderzoek zegt maar liefst 51 procent moslims te wantrouwen – tegen 22 procent in de vs, bijvoorbeeld, en 34 procent in Frankrijk. 11 September, de moord op Van Gogh en de aanslagen in Madrid en Londen hebben er kennelijk flink ingehakt. 40 Procent van de Nederlanders vindt dat de relatie met Turken en Marokkanen de laatste jaren is verslechterd.

Maar zijn wij wel bang geworden voor de islam vanwege de terroristische dreiging? Of raakt het nieuws over de aanslagen ons extra hard, omdat onze angst eigenlijk veel dieper zit: hebben we een primitieve afweer tegenover alles wat onbekend is?

Angst in de hersenscanner

De houding ten opzichte van outgroups, mensen die tot een andere sociale groep behoren dan de jouwe, is een van de meest onderzochte onderwerpen in de sociale psychologie. Uit allerlei onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat we banger zijn voor ‘vreemde’ gezichten dan voor gezichten van mensen uit de eigen groep. Leg een blanke proefpersoon in een hersenscanner, toon hem een fractie van een seconde het gezicht van een onbekende zwarte persoon en het angstcentrum in zijn hersenen zal oplichten. Bovendien gaat zijn hartslag omhoog, hij zweet meer en zijn spieren spannen zich onwillekeurig – fysieke kenmerken van de ‘vecht of vlucht-respons’ bij een potentiële bedreiging. Datzelfde bleek in een Frans onderzoek naar de fysieke reactie bij het zien van een Arabisch gezicht: autochtone Fransen vertoonden stresssignalen bij het zien van de Arabische gezichten, en niet bij de blanke gezichten.

Het vreemde is dat recent is aangetoond dat zwarte Amerikanen zelf ook een angstreactie vertonen bij het zien van een zwart gezicht. Kennelijk is onze impliciete voorkeur voor ras geen aangeboren biologische eigenschap, maar een aangeleerde reflex. Het oordeel over zwarten in de Amerikaanse samenleving is negatief, dus ook zwarten die opgroeien in die samenleving, nemen dat oordeel onbewust over. De woorden ‘moslim’ en ‘terrorisme’ zijn sinds 11 september voortdurend in één adem genoemd. De samenleving oordeelt negatief over de islam, en dus nemen we die associatie onbewust over – zelfs als we dat niet willen, of als we helemaal geen vooroordelen denken te hebben. Dat toont de implicit attitude test wel aan.

‘De iat is geen leugendetector die onze diepste gevoelens blootlegt,’ zegt psycholoog Brian Nosek, een van de drijvende krachten achter het implicit attitude-project. ‘De test weerspiegelt eerder hoe we ­beïnvloed worden door de omgeving waarin we leven en door onze ervaringen. En vaak botsen die omgevingsinvloeden met onze bewuste opvattingen.’ De resultaten van de Arab-Muslim iat zijn nog niet gepubliceerd. ‘Maar de meerderheid van de respondenten heeft inderdaad een voorkeur voor niet-moslims. De meeste deelnemers van Arabische afkomst blijken juist een impliciete voorkeur te hebben voor moslims.’

Aangeboren wantrouwen

Waarom vormen we eigenlijk zo makkelijk negatieve stereotypen over ­leden van een andere sociale groep – of dat nu een etnische of religieuze groep is of een categorie als ‘stadsmensen’, ‘voetbalsupporters’ of ‘vrouwen achter het stuur’?

‘In de eerste plaats hebben mensen nu eenmaal een aangeboren neiging om te categoriseren,’ zegt Daniël Wigboldus, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en expert op het gebied van (onbewuste) stereotypen. ‘In de tweede plaats koesteren we al vanaf onze geboorte een diepgeworteld wantrouwen tegenover alles wat nieuw is. Dat is evolutionair te verklaren. Iets wat je al eerder hebt meegemaakt, was kennelijk niet slecht voor je: je hebt het in elk geval overleefd.’ Met onbekende zaken moet je dat nog maar afwachten – of dat nu gaat om een griezelig groen spruitje met een onbekende smaak of een gezicht met exotische trekken.

Als onze omgeving dat negatieve oordeel over een andere groep ook nog eens bevestigt, dan wordt het heel erg moeilijk om zo’n stereotype nog uit ons hoofd te krijgen. Wigboldus: ‘Iedere keer als er in de krant staat dat er moslimextremisten zijn gearresteerd die plannen beraamden voor een aanslag, wordt in het brein opnieuw de link gelegd tussen “moslims” en “geweld”. En iedere keer slijt het paadje in ons brein tussen die twee begrippen dieper in. Zo vormt het brein een cognitief systeem van associaties, en dat is heel moeilijk te veranderen. We weten uit onderzoek dat mensen goed zijn in het negeren van stereotype-ondermijnende informatie, en dat ze die ook minder goed onthouden. Het brein gaat efficiënt te werk: als het moet kiezen tussen het overboord zetten van een heel cognitief systeem en het negeren van een klein brokje tegengestelde informatie, dan is de keuze snel gemaakt.’

Boze Arabieren

Onze voorkeur voor de eigen groep maakt ook dat we de intenties van anderen verkeerd interpreteren. Hoe meer impliciete vooroordelen mensen koesteren, hoe sneller ze geneigd zijn om tekenen van woede te zien op zwarte gezichten – niet op blanke. Kennelijk interpreteren we het vreemde snel als vijandig.

Onze interpretatie blijkt bovendien afhankelijk van ons psychologische ‘doel’. Als we iemand willen verleiden, zijn we sneller geneigd om ­tekenen van seksuele interesse bij de ander te bespeuren – ‘zie je wel, ze vindt me leuk.’ En als we onszelf willen beschermen, zijn we extra alert op gevaar, en nemen we bij anderen meer woede waar. Dat geldt vooral als die ander een lid is van de outgroup. In een Amerikaans experiment van begin dit jaar kreeg een groep studenten twaalf foto’s te beoordelen van blanke en Arabisch uitziende Amerikanen. Het waren dezelfde gezichten, alleen waren ze op de computer bewerkt om ze wat donkerder te maken en te voorzien van een honkbalpet of Arabisch hoofddeksel. Alle gezichten hadden een neutrale uitdrukking.

De studenten was verteld dat het er in dit ­onderzoek om ging ‘subtiele micro-expressies’ waar te nemen op de getoonde gezichten. Nu kreeg de helft van hen van tevoren een fragment te zien uit The silence of the lambs; de andere helft kreeg een onschuldig filmpje te zien. En wat bleek? Hoe banger de proefpersonen, hoe meer ze geneigd waren om tekenen van woede waar te nemen op de ‘Arabische’ gezichten.

Met andere woorden: als er een aanslag wordt gepleegd in Londen, kijken we de volgende dag met wantrouwen naar Marokkaanse jongens in de metro. Maar juist omdat we bang zijn, interpreteren we hun gedrag sneller als verdacht of zelfs vijandig.

Zweten in het bushokje

De vraag is natuurlijk hoe kwalijk het is dat we rondlopen met een hoofd vol onbewuste negatieve associaties. iat-expert Brian Nosek: ‘De meeste mensen maken zich er niet druk om dat hun impliciete houding voorspelt of ze liever Coke of Pepsi drinken. Maar het zou ze wel verontrusten als hun onbewuste attitude tegenover moslims of christenen vaninvloed was op hoe ze omgaan met leden van die groepen.’

Dat blijkt inderdaad het geval. Recent deden Daniël Wigboldus en zijn student Ron Dotsch een virtual reality-onderzoek naar impliciete vooroordelen en gedrag (zie Psychologie Magazine juni 2005). De deelnemers moesten zogenaamd de namen en de rugnummers onthouden van een serie Nederlandse en Marokkaanse mannen in een virtueel bushokje. Om zowel de naam als het rugnummer te kunnen zien, moesten ze om de computerfiguren heenlopen. De eigenlijke vraag was hoeveel afstand ze daarbij zouden houden. Conclusie: autochtone Nederlanders houden meer afstand van de Marokkanen, en ze gaan ook meer zweten bij het benaderen van een Marokkaan. Hoe hoger ze scoorden op impliciete vooroordelen, hoe sterker die effecten.

‘Impliciete associaties beïnvloeden dus echt onze gevoelens en gedragingen,’ bevestigt Wigboldus. ‘En het stomme is: daar kun je helemaal niets aan doen. Zo’n netwerk van associaties wordt automatisch geactiveerd: een jonge Marokkaan passeert je, en je hand gaat bij wijze van spreken vanzelf al naar je achterzak om te voelen of je portemonnee er nog zit.’

Kan ons bewustzijn dit soort onbewuste attitudes dan niet corrigeren? ‘Zeker,’ zegt Wigboldus. ‘Als je maar genoeg gemotiveerd bent en je de cognitieve capaciteit hebt. Maar zodra je mensen onder tijdsdruk zet, zie je ze terugvallen op het impliciete systeem. Het tegengaan van dit soort vooroordelen kost kennelijk cognitieve capaciteit, en onder tijdsdruk is daar te weinig van.’

Dat bleek ook uit een onderzoek uit 2002, waarin proefpersonen een soort videospel moesten spelen. Tegen een rommelige achtergrond verschenen figuren met een wapen of met een ongevaarlijk voorwerp in de hand, en de proefpersonen moesten de gewapende mannetjes neerschieten. Wat bleek? De juiste beslissing om te schieten werd eerder genomen als de gewapende figuur zwart was, en de juiste beslissing om niet te schieten als de figuur blank was. Het kostte kennelijk meer tijd om te constateren dat een zwarte ook ongevaarlijk kon zijn. Als de tijdsdruk opgevoerd werd, ging het in die gevallen ook vaker mis: dan werden ongewapende zwarten neergeschoten, terwijl gewapende blanken konden wegkomen.

Het omgekeerde geldt gelukkig ook. Geef je proefpersonen een andere denktaak, dan hebben ze onvoldoende breincapaciteit om te discrimineren, bleek uit een recent experiment van twee Princeton-onderzoekers. Als je ze bijvoorbeeld vraagt om zo snel mogelijk een stip aan te wijzen op foto’s van gezichten, dan maakt het voor het brein niet meer uit of die gezichten zwart of wit zijn: het angstcentrum in de hersenen wordt dan opeens niet meer geactiveerd bij het zien van een onbekend zwart gezicht, simpelweg omdat het brein op iets anders gespitst is.

Het Ali B-effect

Wat kunnen we doen om onze angst voor moslimextremisme niet te projecteren op willekeurige buurtbewoners? In de eerste plaats helpt het al, zeggen deskundigen, als we ons bewust zijn van de automatismen in onze geest. Dan weten we in elk geval dat we onze onbewuste vooroordelen moeten corrigeren. Ook helpen positieve voorbeelden van moslims die helemaal niet aan het negatieve stereotype voldoen: het ‘Ali B-effect’.

En, het belangrijkste: vraag eens een moslim op de thee. Van mensen die we kennen, zien we immers eerder hun eigenaardigheden en positieve eigenschappen. We kunnen hartgrondig kankeren op ‘die Marokkanen’, en toch een uitzondering maken voor die leuke collega van de advertentieafdeling: die is namelijk ‘heel anders’. Maar het is niet onze collega die afwijkt van een groep slechteriken. Het is het negatieve stereotype in ons hoofd dat rammelt. Als we ons dat beseffen, zijn we al een eind op weg.