‘Ik heb weer leren houden van mijn hart’

Nynke Feddema (41) kreeg een hartstilstand op wereldreis.

‘Gek genoeg ben ik er nu vrijwel zeker van dat het niet mijn hart zal zijn waar ik aan doodga. Maar er is een tijd geweest dat ik dat wél dacht.

Mijn plan was vier maanden door Azië te reizen. Maar halverwege ging het mis. Ik sliep samen met mijn zus in een hutje op een Thais eiland. Midden in de nacht hoorde mijn zus me rare geluiden maken. Het volgende moment vond ze me levenloos op mijn bed. Omstanders die op haar hulpgeroep afkwamen, zeiden dat het te laat was. Mijn zus wilde daar niets van weten en gaf mond-op-mondbeademing. De ang­stige blik in haar ogen toen ik bijkwam, vergeet ik nooit meer.

In een ziekenhuis in Bangkok bleek dat ik een hartstilstand had gehad. Volgens de arts zou ik een volgende keer niet overleven. Ik werd bang. Bang omdat ik mijn hart zag als een zelfstandig opererend ding in mijn lijf. Bang omdat mijn hart opnieuw kon toeslaan nu het wist hoe dat moest. Voor het eerst in mijn leven ging ik hyperventileren. Ik dacht dat ik doodging.

Na een jaar

besloot ik in therapie te gaan. Ik was zo angstig en emotioneel; ik had hulp nodig. Die therapie heeft mijn ogen geopend. Ik leerde weer te houden van mijn hart, want het is dankzij mijn hart dat ik zoveel liefde in me heb. En die liefde wil ik niet kwijt. Mijn hart hoort bij me, ook al heeft het me laten schrikken. Dat inzicht heeft me dichter bij mezelf gebracht. Ik ben opener, rustiger en bewuster geworden. Ik moet wel rekening houden met mijn hart, maar iedereen heeft wel iets. En bovendien is er zoveel meer: mijn man, mijn kinderen, het leven.’

‘Voor geen goud zou ik ruilen met de Jan van vroeger’

Jan van der Beek (51) kwam bijna om bij een motorongeluk.

‘Ik heb een leven voor en na 13 maart 1991, de dag waarop ik met de motor tegen een auto knalde. Ik kwam terecht in een wereld vol licht en daar voelde ik me gelukkig. Het was er harmonieus en ik wilde onder geen beding terug naar het gewone leven. Blijkbaar had ik daar niets over te zeggen, want ik ontwaakte toen iemand met een lamp in mijn ogen scheen. Die arts heb ik verrot gescholden. Ik was ervan overtuigd dat ik me door zíjn schuld weer in de fysieke wereld bevond. Een wereld vol pijn: mijn ruggenwervel was beschadigd, ik had veel breuken, een zware hersenschudding en een geknapte zenuw.

In de eerste zware maanden na het ongeluk was ik boos. Boos op mijn invaliditeit, omdat ik mijn werk als timmerman, iets waar ik als kind al van droomde, niet meer naar behoren kon uitvoeren. Maar ook boos op de wereld. Daarboven had ik ingezien hoe gemeen mensen met elkaar omgaan. In plaats van te laten zien hoe het ook anders kon, werd ik – dom genoeg – onuitstaanbaar. Mijn lontje was kort. Als iets me niet aanstond, liet ik van me horen. Toen ik besefte dat ik met mijn gedrag niets opschoot en mensen kwetste, hield ik van het ene op het andere moment mijn mond. Uiteindelijk heeft het mijn huwelijk gekost. Mijn vrouw was indertijd niet gevallen op een introverte, teruggetrokken man.

Na jaren worstelen las ik bij toeval een artikel over bijna-doodervaringen. Het was alsof ik thuiskwam. Eindelijk wist ik wat er met me gebeurd was. Sindsdien ben ik een ander mens. Niet kortzichtig, zonder vooroordelen. Ik ben geduldig, toon begrip en ga in dialoog. Ik heb oog gekregen voor simpele dingen: een tekening van mijn kind, een appel aan de boom. Voor geen goud zou ik nog ruilen met de Jan van vroeger. We waren niet eens vrienden geworden.’

‘Doodgaan? Ik prakkiseerde er niet over’

Pia van Praag (66) werd voor haar huis neergestoken.

‘Vrouw overleeft ternauwernood steek­partij: normaal gesproken lees je zoiets in de krant, nu overkwam het mij. Toen ik de avond van 29 september 2005 mijn straat in reed, zag ik een onguur type vlakbij mijn huis. Nietsvermoedend parkeerde ik mijn auto in de carport, toen hij het portier opengooide en riep dat hij geld wilde. Voor ik iets kon doen, zat hij naast me en begon hij op me in te steken. In mijn borststreek. Mijn rug. Mijn buik. En toen was hij hem gesmeerd. Waarschijnlijk dacht hij dat ik dood was. Overal zat bloed, maar vreemd genoeg voelde ik geen pijn. Wel een waanzinnige, bovennatuurlijke kracht, want op de een of andere manier ben ik uit de auto gekomen, heb ik de voordeur geopend en mezelf naar de telefoon gesleept. Pas toen ik in het ziekenhuis hoorde schreeuwen om een cardiochirurg besefte ik dat het menens was.

Toen ik wakker werd op de intensive care zaten mijn dochters naast het bed. Het enige dat ze konden uitbrengen was: “Mam, beloof dat je niet doodgaat.” Ik prakkiseerde er niet over. Mijn overlevingsdrang was enorm. Maar mijn woede ook. Ik kon die klootzak die dit had veroorzaakt wel de nek omdraaien. In de weken daarna ging het fysiek steeds beter, maar in mijn hoofd zat het niet lekker. Ik sliep slecht, voelde me gehavend en moe.

Dankzij therapie ben ik over mijn woede en angsten heen. Dat die vent nooit is opgepakt, doet me niets meer. Maar moe ben ik nog wél. Vroeger was ik een energieke vrouw die tien dingen tegelijk deed. Het is moeilijk te accepteren dat ik daar geen puf meer voor heb. Gelukkig ben ik een vechter. En ook al ben ik serieuzer geworden, ik heb niet verleerd te genieten van alle leuke dingen die ik wel doe.’

‘Ik heb een missie om op kleine schaal goed te doen’

Leonie van Beest-Wittkampf (48) had een bizar ongeluk in het zwembad.

‘Sommige mensen verklaren me voor gek wanneer ze horen dat ik uren druk ben met het vinden van geschikte opvang voor een zieke egel. Vroeger zou ik daar ook niets van hebben begrepen. Toen maakte ik me, net als veel mensen, druk om een kras op de auto, een verkeerd geplaatst stopcontact of andere dingen waar ik nu de betrekkelijkheid van inzie.

Die zondagmorgen waren we met het gezin in het zwembad. Ik lag in het water toen mijn man op de kant een vriendschappelijk duwtje kreeg en boven op mij belandde. Het voelde alsof mijn nek, rug, ribben en longen kapot scheurden: ik stikte. Ik wilde het water uit om te ademen, maar mijn lijf kon niets. Het werd zwart voor mijn ogen. Totdat ik in een kleurenwereld kwam en mezelf op de bodem van het zwembad zag liggen terwijl ik erboven zweefde. Opeens zag ik hoe de wereld was ontstaan en hoe alles in elkaar zat; hoe minuscuul we zijn op aarde. Ik voelde me veilig daarboven, maar ik wist dat ik naar beneden moest. Voor mijn gezin. Mijn moeder. Ze had al een zoon verloren. Mijn wens werd verhoord. Ik mocht terug naar mijn fysieke lichaam.

Mijn nek en rug waren niet gebroken, een aantal ribben wel. Het lichamelijke herstel was een gevecht; pas na vijf maanden kon ik weer een aardappeltje schillen. Het was ook moeilijk die wonderlijke herinnering te aanvaarden, te leren leven met die bovennatuurlijke ervaring. Ik dacht dat ik gek was geworden. Totdat een arts me vertelde dat ik niet de enige was en dat ik hetgeen ik had ervaren juist als iets bijzonders mocht zien. Ik ben nu acht jaar verder en voel me verrijkt. Ik heb een missie om op kleine schaal goed te doen. Voor die egel, een speeltuin in een achterstandsbuurt of een verregende collectant die ik binnenlaat voor een kop thee. Ik ben blij hier te zijn.’

‘Over futiliteiten maak ik me niet druk meer’

Klaas de Vries (39) overleefde in 1992 de vliegtuigramp in Faro.

‘Ik was een jonge hond van 22, vol plannen. Met mijn broer John was ik op weg naar de Algarve. We wilden er een bedrijf beginnen. Vlak bij Faro ging het fout. De motor stond in brand, het toestel maakte rare bewegingen en de vloer was bloedheet. Toen het vliegtuig op de grond knalde, brak het in stukken. Ik werd bedolven onder stoelen, mensen en koffers. Vraag niet hoe, maar het lukte me door een raampje naar buiten te klimmen; John volgde. Daarna hebben we een batterij mensen naar buiten geholpen. Toen de explosies te dichtbij kwamen, moesten we stoppen. Maar we zagen het als onze taak te helpen met het sjouwen van halfverbrande ­lichamen. Pas na een paar weken besefte ik wat ik allemaal had gezien. Van de energieke jongen die ik was, was niets meer over. Ik sliep slecht, had nergens puf voor en lag hele dagen op mijn bed.

Na een jaar ging het beter. Totdat ik, zonder aanwijsbare reden, weer vastliep. Ik moest continu denken aan het ongeluk, ging wakker liggen, piekeren. Die terugval maakte me onzeker. Ik was zelfstandig timmerman maar durfde geen klussen meer aan te nemen, uit angst dat ik weer zou vastlopen. Die angst bleek terecht. Soms na een jaar, soms na twee jaar, en dan stapelden de problemen zich weer op. Zo heb ik jaren doorgesukkeld.

In 2004 was ik het zat. Na de zoveelste terugval besloot ik in therapie te gaan. Alleen. Mijn broer is niet zo’n prater. Sindsdien gaat het stukken beter: ik ben niet meer bang voor een terugval en heb mijn energie terug. In tienvoud. Ik ben overal voor in, ga geen nieuwe uitdaging uit de weg en vertik het me druk te maken over futiliteiten. Ergens negatieve energie in steken is zonde van de tijd. Ik kan beter het positieve benadrukken en beseffen dat ik met mijn vrouw en kinderen goud in handen heb.’

De illusie van onkwetsbaarheid

‘Je mag blij zijn dat je nog leeft’, wordt vaak gezegd tegen mensen die aan de dood zijn ontsnapt. Maar na een roofoverval, verkeersongeval of ramp ervaar je geen blijdschap, integendeel. ‘De gevoelens die vaak direct optreden, zijn verbijstering, machteloosheid en ongeloof,’ zegt Peter van der Velden, psycholoog bij het Instituut voor Psychotrauma. ‘Daarna volgen stressreacties, zoals slecht slapen, prikkelbaarheid en steeds maar beelden van het gebeurde zien. Bij geweldsincidenten komt daar woede bij: boosheid op de dader. Ook angst komt veel voor. Mensen zijn bang dat hetzelfde hen nóg een keer treft.’

Onze geestelijke gezondheid steunt voor een belangrijk deel op de ‘illusie van onkwetsbaarheid’, zegt Van der Velden: het sluimerende gevoel of idee dat ons niet zo snel iets zal overkomen, als we maar opletten en rechtvaardig zijn. Getroffenen ervaren echter acuut dat het leven wél gevaarlijk is. Van der Velden: ‘Doordat hun “illusie van onkwetsbaarheid” is aangetast, voelen zij zich onveilig, gespannen en alert. Bij de een is dat na een paar dagen over, bij de ander houdt dat maanden aan.”

Waarom houdt de een last van allerlei posttraumatische stressklachten en de ander niet? Van der Velden: ‘Mensen die van nature problemen in het dagelijks leven actief aanpakken, zijn er na een levensbedreigende situatie op lange termijn beter aan toe dan mensen met een afwachtend karakter. Het speelt een veel kleinere rol of iemand optimistisch of pessimistisch is. Uit onderzoek is gebleken dat optimisten in het dagelijks leven op lange termijn minder risico lopen op psychische klachten. Maar zodra ze iets heel ingrijpends meemaken, ligt dat anders. Bij levensbedreigende situaties biedt optimisme veel minder bescherming tegen het ontwikkelen van klachten.’

Natuurlijk hangen sommige factoren samen met de situatie. Als bijvoorbeeld bij dezelfde gebeurtenis dierbaren zijn omgekomen, hakt dat er extra diep in. Ook is gebleken dat slachtoffers van een opzettelijk incident, zoals een steekpartij of overval, meestal langer angstig blijven. Tot slot speelt de omgeving van het slachtoffer een grote rol. Wanneer die de situatie bagatelliseert of met een flauwe grap afdoet (‘Je reed altijd veel te hard’ of ‘Houd er nou maar over op, het is al twee maanden geleden’) werkt dat meestal averechts. Het slachtoffer voelt zich onbegrepen en eenzaam. ‘Als de omgeving goede steun biedt,’ zegt Van der Velden, ‘is de kans op herstel binnen afzienbare tijd groter.’

Angst, slapeloosheid en concentratieproblemen zijn volgens de psycholoog normale reacties op abnormale gebeurtenissen. Maar als slachtoffers de tijd krijgen, kunnen ze zelf heel goed herstellen, zegt hij. ‘De ervaring leert dat veel mensen in staat zijn problemen zelf op te lossen. Van nature proberen we de stress of angst die we ervaren, te verminderen.’ Dat zie je ook in het klein: we zetten de tv uit wanneer beelden te confronterend zijn. Mensen hebben veel meer veerkracht en zelfredzaamheid dan ze verwachten. Misschien, zegt Van der Velden, komt dat door de vele aandacht in de media voor traumatische gebeurtenissen en de gevolgen daarvan. ‘De media leggen de nadruk op emoties als verdriet en angst. Natuurlijk treden die direct na zo’n levensbedreigende gebeurtenis vaak op. Maar dat betekent niet dat ze bij alle getroffenen maandenlang voortduren. Eigenlijk geldt dat maar voor een kleine minderheid. En het is de vraag of hun herstel gebaat is bij sensationele berichten.’

De gevolgen van een traumatische gebeurtenis hoeven niet altijd alleen negatief te zijn. Een levensbedreigende situatie kan je op de lange termijn ook iets waardevols opleveren. Van der Velden: ‘Diverse getroffenen die ik heb begeleid, zeggen dat ze door wat ze hebben meegemaakt, anders in het leven staan. Ze relativeren het belang van materiële zaken en geld. Hun gezin, goede vrienden en familie worden belangrijker. Ze vertellen dat ze door het gebeurde opnieuw, of pas echt, beseffen hoe belangrijk die voor hen zijn. Ook hebben veel mensen na een levensbedreigende gebeurtenis meer oog voor wat er om hen heen gebeurt. Ze hebben zelf de kwetsbaarheid van het leven ervaren en tonen daarom meer begrip voor andere kwetsbaren.’[/wpgpremiumcontent]