Sommigen zijn vanaf hun vroegste herinnering misbruikt, door hun vader, een oom, of tegen betaling door vreemde mannen. Sommigen werden dagen opgesloten in de kelderkast, kregen geen of te weinig eten, werden geslagen, bewerkt met een heet strijkijzer of sigarettenpeuken. Sommigen kregen dag na dag, van jongs af aan, te horen dat ze niets waard waren, dat ze lelijk en slecht waren, en dat alles hun eigen schuld was.

Ruim honderdduizend kinderen per jaar zijn slachtoffer van fysiek en seksueel geweld en van lichamelijke en emotionele verwaarlozing, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Leiden. Kun je nog een normaal leven leiden na zo’n onveilig begin, en kun je het ooit verwerken?

Verwerking van een traumatische jeugd

De warme, open blik van Merel verraadt op het eerste gezicht weinig van de littekens uit haar jeugd. Een vlot geklede, opgewekte vrouw die er jonger uitziet dan haar vierenvijftig jaar en gemakkelijk contact maakt.

Vanaf haar vroegste kindertijd tot aan haar twintigste werd ze fysiek, seksueel en emotioneel mishandeld door haar familie. Veel wil ze er niet over kwijt, maar dat er dingen zijn gebeurd die het voorstellingsvermogen van een gemiddeld mens te boven gaan, is wel duidelijk.

Merel is het levende bewijs dat het inderdaad kán, een leven oppakken na een langdurig traumatische jeugd. Ze heeft een fulltime baan, een vriendenkring, een huis, een leven. Maar ze is ook het bewijs dat het enorm veel tijd, pijn en energie kost om zo ver te komen.

Twintig jaar therapie heeft ze er nu op zitten. ‘De afgelopen vijf jaar merk ik pas hoe het is om bewust te leven. Ik vraag me soms af hoe ik dat dan vroeger deed, leven.’

Merel had geluk: zij kwam via via in contact met een psychologe die gespecialiseerd is in vroegkinderlijke trauma’s, en uitgebreid de tijd nam om haar vertrouwen te winnen. Maar de meeste getraumatiseerden gaan met uiteenlopende klachten van hulpverlener naar hulpverlener, van behandeling naar behandeling. Omdat de hulpverleners vaak niet zien dat er een jeugdtrauma achter hun klachten schuilgaat, wordt het échte probleem niet aangepakt.

Traumacentra, gespecialiseerd in vroegkinderlijke chronische traumatisering, moeten daar verandering in brengen. Hier is genoeg kennis en ervaring om het trauma te herkennen en een passende behandeling te geven.

Dankzij afspraken met ziektekostenverzekeraars mag de behandeling in deze centra bovendien aanzienlijk langer duren dan het standaard aantal vergoede therapiesessies. En dat is hard nodig: hoe jonger iemand is als het trauma begint en hoe langer die persoon eronder lijdt, hoe langer hij in behandeling moet om weer op een redelijk niveau te functioneren.

Vermijding

‘Een klassieke misbruikte man,’ zegt psychotherapeute Suzette Boon tijdens de intakevergadering van Trauma Centrum Brinkveld in Zeist. Onderwerp van gesprek is een aangemelde man die aan depressies lijdt, slecht slaapt en te veel blowt. In zijn vroege jeugd werd hij misbruikt en verwaarloosd, maar dat heeft niets met zijn klachten te maken, zegt hij zelf.

Boon, met haar jarenlange ervaring op dit gebied, denkt van wel. ‘Hij vermijdt. Je zou zo’n man zo graag in behandeling nemen. En als we zo iemand nu afwijzen, dan zien we hem misschien tien jaar niet meer terug.’ Haar collega’s knikken instemmend.

Het team aan de vergadertafel is nog kersvers. In een tijdelijk gebouw zijn sobere ruimtes ingericht met kantoormeubilair. De grootste klus in dit beginstadium is om alle aanmeldingen te bespreken, en te beslissen wie in aanmerking komt voor behandeling.

Heeft het trauma plaatsgevonden voor het achtste levensjaar, en is het de waarschijnlijke oorzaak van de huidige klachten? Patiënten worden aangemeld via de huisarts of een behandelaar uit een ggz-instelling. In vier maanden tijd zijn er nu 175 aanmeldingen onder de loep genomen. Inmiddels zijn 58 daarvan in behandeling.

Weggestopt

Een traumatische jeugd komt vaak pas op volwassen leeftijd naar boven, in de vorm van uiteenlopende psychische klachten. Veel voorkomend zijn angsten, depressies, wisselende stemmingen, nachtmerries, herbeleving van het trauma en eetproblemen.

Psychiater Desiree Tijdink: ‘Deze mensen hebben vaak extreem veel schaamte over wat er is gebeurd, vooral als ze van jongs af aan de boodschap hebben meegekregen dat het hun eigen schuld is, en dat ze niets waard zijn. Dan is het moeilijk om hulp te zoeken.’

Ook Merel had een lange geschiedenis van therapieën die niet aansloegen. Nadat ze op kamers ging om te studeren, en zo ontsnapte aan het misbruik en de mishandeling, probeerde ze zo goed en kwaad als het ging een leven op te pakken.

Vier keer begon ze aan een studie, maar liep telkens weer vast. ‘Hele periodes ging het prima, en kon ik goed meedraaien. Maar dat kon ook weer zó ophouden. Dan zat ik in een depressie en kon ik niets meer. Er was een stuk van me dat niet door wilde.’

Zo rolde ze van de ene in de andere therapie, maar het geheim van haar jeugd zat al die tijd diep weggestopt. Totdat iemand haar doorverwees naar een ervaren psychotherapeute, inmiddels verbonden aan het traumacentrum. Zij straalde rust uit, bleef altijd stabiel en open, had eindeloos veel geduld, zorg en aandacht voor Merel.

‘Ik had altijd argwaan tegenover andere mensen, wantrouwde dus ook therapeuten. Maar met haar was er meteen een klik. Ik heb toen heel bewust gekozen: met jou wil ik wel in therapie. Het gaat erom dat je een vertrouwensband kweekt, en dat deed zij. Ik wist dat ik deze kans niet nog een keer kreeg.’

Sindsdien is ze bij haar in therapie gebleven, en ‘verhuisde’ ze mee als die een andere baan kreeg, zoals nu bij het Trauma Centrum Brinkveld.

Vertrouwen winnen

De behandeling in de traumacentra verloopt in drie fases: stabilisatie, traumaverwerking en reïntegratie. De meeste patiënten van het centrum zitten in fase één. Daarbij wordt nog niet gesproken over het trauma, maar gaat het om vermindering van de klachten en het weerbaarder maken van de patiënten.

Tijdink: ‘Eerst moeten mensen weer grip krijgen op het dagelijks leven. Goed eten en goed slapen, weer de straat op durven, boodschappen doen, werken, voor de kinderen zorgen, en situaties die aan het trauma herinneren niet meer vermijden.’

Om dat te bereiken, krijgen ze in elk geval één keer in de week psychotherapie, aangevuld met praktische groepscursussen die informeren over hun klachten en leren om er beter mee om te gaan.

Ook in de groep wordt nadrukkelijk niet ingegaan op nare ervaringen. ‘Maar als de tijd rijp is, vinden ze steun en herkenning in hun groepsgenoten die hetzelfde hebben meegemaakt, en kunnen ze veel van elkaar leren.’

Intussen ontstaat een belangrijke band tussen de therapeut en de patiënt. ‘De patiënten hebben veel onveiligheid ervaren,’ legt Tijdink uit. Vanaf hele jonge leeftijd hebben ze meegekregen dat anderen niet te vertrouwen zijn en je in de steek laten.

Als therapeut moet je dan laten zien dat jij wél veilig en voorspelbaar bent. Patiënten testen dat uit: blijf jij wel bij mij, en kun je wel tegen alle narigheid die ik je vertel?

Het proces van hechten kost veel tijd: het duurt minstens één tot twee jaar. Dan ervaren patiënten steeds meer dat ze wel hun angst en pijn bij je kwijt kunnen.

Wij laten ze steeds weten dat ze niet gek zijn, en niet slecht. Dat hun klachten een normale reactie zijn op een abnormale, extreme situatie. Als ze structureel die boodschap van ons horen, krijgen ze al meer vertrouwen.’

Suzette Boon: ‘Het mooie is dat als patiënten eenmaal de relatie met de therapeut durven aangaan, ze ook andere mensen gaan toelaten. Ze leren een band te verdragen en iemand te vertrouwen.’

Merel: ‘Het eerste jaar zette ik me af tegen mijn therapeute, probeerde van alles uit om te kijken waar de grenzen lagen in het contact met haar. Met gevoelens kwam ik pas na een paar jaar. Toen ben ik langzaam, stukje bij beetje, over het trauma gaan praten. Zij heeft gewacht tot het vanzelf kwam.’

Stapsgewijs verwerken

Als de patiënt sterk en stabiel genoeg is, kan voorzichtig worden begonnen met het verwerken van het trauma. Sommigen zijn daar na een half jaar al klaar voor, sommigen na vier jaar, maar de meeste patiënten nooit.

Tijdink: ‘Zo’n negentig procent slaat deze fase over. Bij de meeste mensen is het al een hele klus om ze stabiel genoeg te krijgen. Áls we met iemand aan traumaverwerking gaan doen, moeten we heel zeker weten dat hij daarna thuiskomt in een veilige situatie. Dat hij weet hoe hij met een paniekaanval moet omgaan, niet vlucht in drugs, dat hij vrienden heeft, dat hij de volgende dag naar zijn werk kan.’

Het verwerken gaat in kleine stukjes. ‘Als een kind tien jaar lang is misbruikt, dan hoef je niet élke ervaring te verwerken,’ legt Boon uit. ‘We gaan stapsgewijs aan de slag met de stukjes trauma die het functioneren belemmeren, of die zich blijven opdringen. Zodat iemand weer kan leven in plaats van óverleven.’

De therapeuten gebruiken verschillende technieken, die erop neerkomen dat de patiënt onder begeleiding een traumatische ervaring kort herbeleeft. Niet alleen in woorden, maar ook in beelden, lichamelijke sensaties, emoties en gedachtes.

Tijdink: ‘Ze gaan helemaal terug, en ondertussen troost je ze. Zegt: “Het is jouw schuld niet, je hebt er niet om gevraagd”. Je corrigeert de negatieve gedachtes, en helpt ze de pijn te verwerken en los te laten. Dit werkt pas als iemand zich eerst twee, drie jaar gehecht heeft, en weet dat hij veilig is.’

Maar traumaverwerking is echt niet altijd nodig, benadrukken de behandelaars. Tijdink: ‘Het is maar een onderdeeltje van de behandeling. Voor een grote groep is de confrontatie met het verleden te eng en te naar: je moet er tegen kunnen.’

Herbeleven

Merel deed het wel. ‘Tijdens de sessies ging ik terug naar een nare gebeurtenis. Alles kwam dan weer in mijn bewustzijn: de geuren, de muziek, stemmen, geluiden. Het was moeilijk en eng om alles onder ogen te moeten zien. In het begin waren de sessies vaak heftig, met veel emoties.

Ik moest soms stevig vastgehouden worden, omdat ik dan lichamelijk onrustig werd, weg wilde, of bij boosheid wilde vechten. Soms kwam er zoveel pijn en angst los, dat ik lang in de herbeleving bleef hangen, maar dat leerde ik steeds beter te voorkomen.

Als het goed ging, voelde ik na de sessie rust en opluchting, was ik moe maar veilig. Dan was ik mijn therapeute dankbaar omdat zij het mogelijk maakte dit te doen, in een veilige en vertrouwde omgeving.’

De laatste fase van de behandeling is gericht op reïntegratie: een sociaal netwerk opbouwen, een opleiding volgen, gaan werken. ‘Maar het is vooral een fase van rouw,’ zegt Boon.

‘Het échte besef van wat er met je is gebeurd, en welke gevolgen dat heeft gehad voor je leven, kan hard aankomen. Je moet het een plaats geven en verder gaan. Dat kost tijd. Eigenlijk duren de eerste en de laatste fase het langst, en is de traumaverwerking relatief kort.’

Merel: ‘Het is moeilijk om onder ogen te zien dat mijn leven de eerste dertig jaar een aaneenschakeling was van trauma’s en nare gebeurtenissen. Pas op mijn 47ste ben ik echt gaan leven. Inmiddels word ik steeds gezonder.

Omdat ik een groot deel van mijn woede en verdriet in therapie heb verwerkt, kan ik nu ook denken aan de leuke dingen van mijn jeugd. Mijn moeder was bijvoorbeeld erg zorgzaam, en ze was een leuk mens om mee te winkelen.

In bepaalde dingen snap ik haar. Ik kan haar nu zien als iemand die foute keuzes heeft gemaakt, maar ook goede kanten had.’