De liefde is altijd wederzijds: het kopje dat over de rand van de tafel kiept, trekt evengoed aan de aarde als andersom – alleen is de aarde zwaarder, en daarom springt de vloer niet naar het kopje (al zouden we het verschil als toeschouwer vanaf de aarde niet eens kunnen zien). Dat is de zwaartekrachtwet van Newton.

Mensen trekken elkaar ook aan. Het zijn gezelschapsdieren. Maar niet alle mensen oefenen dezelfde kracht op elkaar uit: sommige klitten meteen samen, sommige stoten elkaar af, sommige passeren elkaar in stilte zonder enige invloed uit te oefenen op elkaars planetaire baan.

Wat maakt dat je met de ene persoon een klik voelt, en met de andere niet? Dat is een raadsel dat sociaal-psychologen stukje bij beetje proberen te ontrafelen. We weten inmiddels dat nabijheid een handje helpt. En dat we graag mensen om ons heen verzamelen met wie we iets gemeen hebben, en die ons helpen het beste van onszelf te laten zien. Geeft iemand ons een goed gevoel over onszelf, dan vinden we hem aardig – daarom hebben vriendelijke mensen en chronische glimlachers een sociale voorsprong.

En toch vormen al die rafeltjes kennis geen bevredigende verklaring.

Want wat is dan dat geheimzinnige zintuig dat ons in staat stelt om in één oogopslag een geestverwant te herkennen? Waarom valt je oog juist op dat klasgenootje dat bijna achteraan zit, die ene man op dat groepsuitje, die dame op het feestje die zich juist even omdraait bij de tafel met hapjes, waardoor jullie blikken kruisen? Wat maakt dat we in de twinkeling in iemands ogen een uitnodiging herkennen om dichterbij te komen – en dat we dat wel hebben met die dame bij de hapjestafel, maar niet met die op het balkon?

Dat blijft een raadsel.

De biljoenen atomen waaruit we bestaan mogen zich dan keurig houden aan de wetten van de natuurkunde – maar waarom sommige atomenpakketjes bevriend raken en andere niet, dat blijft in hoge mate onvoorspelbaar. En dat is eigenlijk wel zo spannend.