Wie ben je?

‘Een ongevaarlijke cabaretier. Zo eentje die een beetje schuin tegen de dingen aankijkt, net als een tekenaar die karikaturen en cartoons maakt. Vaak zit daar wel wat waarheid in. Gevolg: een deel van de mensen vindt mij een klootzak. Dat is in mijn vak een voorwaarde, dán heb ik mijn werk goed gedaan. Laatst kwam er iemand naar me toe die zei: “Ik vind jou vreselijk.” Ik antwoordde: “Weet je wat ik erg zou vinden? Als jij mij leuk zou vinden, dán zou mijn leven totaal mislukt zijn.”

Ik wil mensen confronteren met zichzelf. Afgelopen week was ik op een plek waar drie mensen stonden die ik allemaal ooit had beledigd in mijn column in nrc. Een pijnlijk moment, als je beseft dat die column door zoveel mensen is ­gelezen. Een van de drie stapte lachend op me af en zei: “Je hebt me hard aangepakt, maar je had wél gelijk.” Inmiddels is het een paar jaar geleden, dat stukje, en alles slijt altijd in het leven, gelukkig maar.

De boel willen ontregelen, dat heb ik van kindsaf. Het heeft denk ik iets te maken met dat ik als katholiek jongetje misdienaar was. Op een dag begroeven we een vrouw van 29 die zichzelf uit liefdesverdriet te pletter had gereden. Mijn vader nam me de dag van tevoren apart en zei: “Youp, morgen moet je niet schrikken, dan zit de kerk heel erg vol.” Het was een totaal verdrietige, snikkende kerk. Vanaf dat moment, ik was acht, wist ik: Je Gaat Dood En Dat Is De Enige Waarheid In Het Leven. Ik draag die wetenschap sindsdien met me mee als een doorlopend onderhuids besef. Je moet het leven ongelooflijk relativeren, van je auto tot je huis tot je succes. We zijn Karin Adelmund die ’s ochtends niet meer wakker wordt. We zijn Theo van Gogh die wordt vermoord. We zijn Wim Duisenberg met een laatste duik in het zwembad. Toon Hermans zei ooit: “Wat moet je met al je miljoenen, Piet, als je plassen moet en je kunt het niet?” Ik heb een pesthekel aan mensen die zichzelf te serieus nemen; vooral als ze daarbij ook nog eens macht gaan uitoefenen. Zo’n ontzettende lul in een pak die meent dat hij jou even kan vertellen wat goed voor je is. Of neem die driehonderd debielen die met een vlaggetje gaan staan zwaaien als er een of andere derderangs prins, het zestiende kind van Van Vollenhoven, gaat trouwen. Daar zitten dus volwassen mensen tussen, verschrikkelijk!

Vroeger op school was ik al een klootzakje. Ik werd steeds weggestuurd. De leraren zeiden later tegen me: “Je was grappig, maar God, wat waren we blij als jij de klas uit was.” Tja, er zijn ook zúlke leuke grappen te maken over leraren die zichzelf belangrijk vinden, dat kon ik niet laten. Leren hoefde van mij niet. Wel had ik drie eigen pagina’s in de schoolkrant, en ik schreef zestig procent van de grote avond. De hele dag grappig zijn, daar ging het mij om. Mijn ouders vonden het leuk dat ik daar talent voor had en stimuleerden het. Mijn vader zei: “Je moet doen wat je graag wilt. Van mij mag je cabaretier worden, maar alleen als je een goeie wordt. Er is niets pijnlijkers dan een middelmatige cabaretier.” Hij zag natuurlijk ook wel in dat ik in elk ander vak faliekant zou mislukken; ik heb geen schoolopleiding of niks.

Inmiddels zijn we 35 jaar verder en heb ik absoluut de publieksprijs. Als ik aankondig dat ik ergens een tweede voorstelling geef, is het binnen vier minuten vol. Als ik voor de tsunami twee voorstellingen doe, haal ik 300.000 euro binnen. De verkoop van mijn boeken gaat binnenkort door de grens van vier miljoen exemplaren. Toch stel ik niks voor. Ik heb gewoon de mazzel dat ik nooit domme pech heb gehad. En als ik een avond in Carré sta voor 1700 man, zijn er nog altijd 750.000 Amsterdammers die thuisblijven. Als ik straks op oudejaarsavond twee miljoen kijkers haal, dan hebben er 14 miljoen niet gekeken, of naar Dancing with the stars.

Waar het mij om gaat, is de mensen in Ommen, Meppel en Hardenberg een mooie avond proberen te geven. Als dat lukt, loop ik ’s nachts met een voldaan gevoel mijn hotel binnen. Ik wil het publiek behagen én belachelijk maken, pijn doen: tachtig procent lol, twintig procent boodschap. Die boodschap moet niet te zwaar zijn, maar ik beschouw het wel als een missie: de tanker een centimeter uit koers brengen opdat-ie uiteindelijk ergens anders uitkomt. Ik wil de onzin van het onrecht laten zien. Het verschil tussen de miljonairsbeurs en de aardbeving in Kashmir. God, waarom schudt het nooit eens in het Gooi? Neem de gala’s waarbij een miljonair een half promille van zijn vermogen aan een arme geeft, en dat dan in de krant wil hebben, en dat er dan een dineetje aan vastzit. De domme hebzucht van mensen! We willen steeds meer, een grotere auto, een duurdere keuken, en maar ontevreden blijven. We moeten ons echt een beetje schamen over ons klaaggedrag als op de supersonische hockeyclub het warme water een halfuurtje uitvalt waardoor we thuis moeten douchen. Ik denk dat als de Nuon zegt dat we twee dagen geen warm water hebben, het land te klein zal zijn. Ik doe er zelf ook vaak aan mee hoor, ik woon in luxe aan de gracht, maar soms denk ik: we hebben geen idéé meer waarover we zeiken. Ik heb zo langzamerhand wat reizen ­gemaakt over de wereld, ben in menige sloppenwijk geweest. Dan besef je in welke wereld we leven, en wat wij hier in Nederland allemaal hebben.’

Waar geloof je in?

‘In de goedheid van de mens. Toch. Ik weet wel dat de tien procent rotzakken die veelal de macht hebben het verpesten, maar het grootste deel van de mensheid heeft het beste voor met de wereld. Op een of andere wonderlijke manier ben ik de afgelopen maand vier keer een stampvolle porte­feuille verloren, en hij is vier keer vol terug­gebracht. Zelfs toen ik jaren geleden naar Zuid-Amerika ging en ik was gewaarschuwd dat ik mijn geld moest inslikken omdat ik anders beroofd zou worden, bleek het mee te vallen. Ik was daar honderd dollar op straat kwijtgeraakt, maar vervolgens kwam er een arme sloeber achter mij aan: “Meneer, u verliest uw geld!” En in die rare sloppenwijken in Lima, waar de mensen wonen in van die omgekeerde dozen van wasmachines die ze zelf niet kunnen kopen, staat er om de vijf dozen toch nog een kruis met een kerk. Dan denk ik: ha, dus tóch, een kerk, beschaving!’

Wat was een keerpunt?

‘Mijn keerpunten hebben altijd te maken met afscheid en binding. Het zijn momenten waarop ik anders tegen het leven ga aankijken. Zoals de dag waarop mijn vader een hersenbloeding kreeg en ik hem in zijn stoel zag eindigen. Of toen mijn kinderen geboren werden: je krijgt het in handen en vanaf die seconde kun je het nooit meer alleen laten. Stuk voor stuk clichés, maar die zijn vaak ernstig waar.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Ik zou soms meer willen doen wat mijn vrouw en kinderen willen. Dan wil ik het liefst een normale vader zijn, die normale dingen doet met zijn gezin. Maar ik ben er lang niet altijd. Youp van ’t Hek zijn is geweldig, maar ik ben het wel 7 dagen per week, 24 uur per dag. Ik ben een vader met hotels, een vader met van alles te veel. Elk akkefietje wordt groot uitgemeten in de ­media. Elk dingetje wat ik gezegd heb, elk dingetje wat ik doe. Na oudejaarsavond heeft iedereen weer een mening over mij. Daar worden ze soms doodmoe van bij mij thuis. En dat snap ik goed.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Ik ben 51. God, ja, het ís zo. Laatst werd mijn neef, hij is een van mijn beste vrienden, dertig. Die kan nog op tafels staan in cafés. Dan ben ik zó jaloers! Maar aan de andere kant ook niet. Het is het enige dat je zeker weet: je wordt ouder, je schuift op, krijgt een andere positie in het leven. Toen ons konijn doodging, huilde mijn dochter. Het was het konijn dat alles had meegemaakt. Tegelijkertijd zag ik dat haar mascara uitliep. “Mooi,” dacht ik, “dat konijn is dus goed oud geworden.” Ouder worden hoort erbij. Je weet wat je kunt en wat je niet kunt, en je komt niet meer in het café waar je dochter nu heen gaat. Ik word er tegenwoordig veel gelukkiger van om met een paar vrienden thuis aan tafel lekker te eten dan dat ik een beetje jong sta te doen in een of andere club. Als je je gaat verzetten tegen ouderdom, als ik toch nog een hitje zou proberen te scoren op 538, dan word je een tragische figuur. Vier jaar voor zijn dood vroeg ik aan mijn vader: “Hoe is het nou, om 75 te zijn?” Hij zei: “Het komt in zicht, het nadert. Dat heb ik mijn leven lang geweten.” Zorg dus maar dat je een beetje leuk oud wordt, denk ik dan. Een beetje vrolijk oud. In elk geval niet verzuren, geen zeikerd worden. Niet zoals Freek de Jonge die loopt af te geven op jonge cabaretcollega’s. Man, zeur niet! Hou je bezig met je eigen werk, en spiegel je uit­sluitend aan jezelf.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dit is de belangrijkste en meest ingewikkelde vraag van alle. Aan liefde moet je het hardst werken, en tegelijkertijd het zachtst. Liefde onderga je vooral. Je moet niet denken dat je er ook maar enige grip op hebt. Soms gaat het goed, soms heel slecht, en het is niet uit te leggen waarom dat zo is. Weet je, ik heb geen gewoon huwelijk, ben twee­honderd avonden per jaar op tournee. Dat is anders dan de relatie van een gemiddelde kantoor­vader. Ik heb in mijn leven geen gebrek aan aandacht, kom nooit anoniem een café binnen, hoef me zelden voor te stellen… Dat maakt een huwelijk anders, ingewikkelder… Zowel voor mijn vrouw als voor mijzelf.

Maar als je eenmaal een goeie liefde hebt, en wij hebben echt een goeie liefde, dan neem je meestal wel de juiste beslissing wanneer je op het punt komt of je uit elkaar moet gaan of niet. Er zijn altijd evenveel redenen om bij elkaar te blijven als om uit elkaar te gaan. Maak je geen zorgen, als je niet de juiste beslissing neemt, lazert het later vanzelf alsnog wel in elkaar.

Debby en ik kennen elkaar 32 jaar, hebben veel stormen doorstaan. Ons huwelijk is net als ieder huwelijk ingewikkeld. Soms een gevecht tegen de slaap, soms wordt de boel iets te hardhandig wakker geschud. Uiteindelijk is thuis het mooiste woord dat ik ken. Zolang je het ondanks je problemen nog leuk met elkaar kunt hebben, moet je bij elkaar blijven, vind ik. We kunnen het samen goed hebben, we kunnen goed werken in hetzelfde huis, maar bij ons in ieder geval geen ­comawonen. Ik hoop echt dat we nooit zo’n zwijgend restaurantechtpaar worden. Zo’n stel dat zwijgend de kaarsen naar beneden loert. Dan maar uit elkaar. Maar ik ben er inmiddels wel achter dat ik over andermans huwelijk niet kan oordelen. Als twee mensen zich 25 jaar door hun relatie ruziën, dan houden ze van elkaar en van ruzie. Sommige mensen redden hun huwelijk door zich te verzuipen in hun werk, of door het hele weekend niet met elkaar te praten maar het krantje van de sportclub te nieten. Ik ken mensen die getrouwd zijn en elkaar nooit zien. Alle ­huwelijken zijn gelukkig en ongelukkig op hun eigen manier.’[/wpgpremiumcontent]