Wat is de overeenkomst tussen een hond en een haas? Die vraag kwam al in 1943 voor in verschillende intelligentietests. Deelnemers gingen vaak de fout in.

TEST
Doe de test »

Ben je succesvol intelligent?

‘Deze dieren spelen allebei een rol bij de jacht, want de hond jaagt op de haas’ vulden ze vaak in. Vandaag de dag beantwoordt bijna iedereen de vraag met het goede antwoord: de hond en de haas zijn allebei zoogdieren.

Het is niet de enige vraag in IQ-tests die nu beter wordt beantwoord dan in de vorige eeuw. Uitkomsten van intelligentietests vertonen over de jaren heen een opvallende trend: ze werden elk jaar beter. Werden, want inmiddels zijn we over de piek heen (zie kader).

De stijging van de scores ging zelfs zo hard dat de puntentelling regelmatig naar beneden moest worden bijgesteld – het gemiddelde moet namelijk 100 punten blijven.

Als deelnemers van nu op dezelfde manier zouden worden beoordeeld als een eeuw geleden, zouden ze gemiddeld 130 punten halen. Kortom: als je nu met een tijdmachine honderd jaar terug zou reizen en een intelligentietest zou maken, zou je waarschijnlijk het predicaat ‘hoogbegaafd’ krijgen.

Dat de prestaties bij IQ-tests die stijgende lijn vertoonden, wordt wel het Flynn-effect genoemd, naar de Nieuw-Zeelandse wetenschapper James Flynn, die het ontdekte toen hij in de jaren tachtig oude scorekaarten van intelligentietests vergeleek. Zijn bevindingen stellen wetenschappers tot op de dag van vandaag voor een raadsel.

Zijn wij echt slimmer dan onze grootouders en overgrootouders? En als dat zo is, hoe kunnen we dat dan verklaren? Dit zijn de meest waarschijnlijke theorieën.

4 mogelijke verklaringen

1. Ons brein is gegroeid door beter onderwijs

Het menselijk brein heeft een flinke groeispurt doorgemaakt. Psycholoog Michael Woodley bestudeerde – van achter zijn bureau aan de Vrije Universiteit Brussel – het brein van een groot aantal mensen.

Hij spitte oude verslagen door van lijkschouwingen in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw waarbij de hersenen van overledenen zijn gewogen.

Wat bleek? Bij mannen is de hersenmassa in de afgelopen honderd jaar met gemiddeld 70 gram toegenomen, bij vrouwen met 50 gram. Woodley vermoedt dat vooral het hersengebied dat ons geheugen aanstuurt, de hippocampus, is uitgedijd in die periode.

Dat zou het gevolg kunnen zijn van alle proefwerken en examens waarvoor mensen tijdens hun leven moeten leren. ‘En vergeet niet de wachtwoorden voor de computer die we onthouden,’ zegt Woodley.

‘Het is heel aannemelijk dat de hippocampus daardoor is gegroeid. Dankzij die extra geheugencapaciteit kunnen we meer informatie opslaan en die komt goed van pas bij IQ-testen.’

Aannemelijk?

Het is maar de vraag of extra hersenmassa ook meer intelligentie betekent. Een olifant heeft vergeleken met de mens een gigantisch brein, maar hij is niet slimmer. Voor de theorie dat vooral de hippocampus groter is geworden, heeft Woodley nog geen bewijs.

3 kritische vragen over IQ

‘Ik heb een IQ van 120.’ Imposant, maar wat zegt het precies over je intelligentie? En wat als d...

Lees verder

Bij een vervolgonderzoek zal hij verschillende hersendelen van overledenen op de weegschaal leggen om zijn theorie verder te onderzoeken.

2. Ons brein is gegroeid door goede voeding

De afgelopen honderd jaar is onze voeding flink verbeterd; we eten meer en gevarieerder dan onze overgrootouders. Dankzij schonere huizen en medicijnen groeit ons lichaam harder.

De gemiddelde lengte in Nederland was halverwege de negentiende eeuw 1 meter 64, nu is die 1 meter 78. ‘In die zin is het niet zo gek dat ook ons brein een stukje is gegroeid,’ zegt hersenonderzoeker Martijn van den Heuvel van de Universiteit Utrecht. ‘Ik denk dat verbeterde voeding de belangrijkste verklaring is voor de groeispurt die Woodley heeft aangetoond.’

Aannemelijk?

Voeding heeft vrijwel zeker invloed gehad op de grootte van ons brein. Maar de vraag is ook bij deze theorie wat onze hersenomvang zegt over intelligentie.

‘We kunnen inderdaad nog niet aantonen dat de extra hersenmassa wordt ingezet voor intelligentie,’ zegt Van den Heuvel. ‘Dat moet beter worden onderzocht.’

3. We zijn beter geworden in abstract denken

Ons brein is net een computer: hersencellen worden ‘geprogrammeerd’ door leraren en schoolboeken. James Flynn, ontdekker van het Flynn-effect: ‘De nadruk ligt in het onderwijs meer op abstract denken. We kijken met een theoretische bril naar onze omgeving.’

Als voorbeeld geeft hij de wiskundige en natuurkundige formules die we leren, maar ook de biologische indeling van planten en dieren.

Volgens Flynn komt dat abstracte denken van pas bij het maken van IQ-testen. Hij analyseerde de antwoorden van honderden tests door de jaren heen, waaronder het antwoord op de eerdergenoemde vraag: wat is de overeenkomst tussen een hond en een haas?

Onze voorouders gingen volgens Flynn de fout in doordat ze heel praktisch dachten. ‘Die mensen waren gefixeerd op hun directe omgeving. Ze joegen veel met honden op hazen. Vandaar hun antwoord: honden en hazen zijn allebei betrokken bij de jacht.’

Als mensen nu een hond en een haas vergelijken, denken ze bijna onmiddellijk in categorieën: ‘zoogdieren’ dus. ‘We denken in abstracte termen en regels,’ zegt Flynn. ‘Ik ben er vrij zeker van dat we daardoor betere resultaten halen bij de tests.’

Aannemelijk?

Ja, maar de vraag blijft of we alleen beter abstract kunnen denken door onderwijs of ook doordat ons brein is veranderd. Dus: zouden mensen die vroeger leefden even goed scoren bij IQ-tests als ze dezelfde opleiding hadden genoten? Op die vraag kan nog niemand antwoord geven.

4. Onze IQ-testen deugen niet

Meten IQ-tests daadwerkelijk iemands intelligentie? De opgaven gaan over taal, rekenen en ruimtelijk inzicht. De scores op die tests namen vooral snel toe in rijke landen zoals Duitsland, Japan, Frankrijk en Nederland, waar vrijwel iedereen tegenwoordig lang in de schoolbanken zit en dus veel kennis heeft.

Onze (over)grootouders hadden die kennis niet, ze waren meer gewend om met hun handen te werken. Misschien zegt het Flynn-effect dus meer over ons verbeterde onderwijs dan over onze intelligentie?

De Nederlandse psycholoog Jan te Nijenhuis heeft om een andere reden zijn twijfels over IQ-tests. ‘Daarmee wordt maar een beperkt deel van onze verstandelijke vermogens in kaart gebracht,’ zegt hij.

‘Het gaat bij die tests om ruimtelijk inzicht en abstract denken, terwijl veel meer zaken belangrijk zijn voor intelligentie: de snelheid waarmee je nieuwe kennis opneemt, bijvoorbeeld.’

Te Nijenhuis voerde in 2013 samen met Michael Woodley een studie uit naar algemene intelligentie. Ze bestudeerden de uitslagen van zogenoemde visuele reactietests uit de afgelopen honderdtwintig jaar. Bij dit soort onderzoeken moeten mensen zo snel mogelijk op een knop drukken zodra er een lamp gaat branden.

‘Je test ermee hoe snel de hersencellen informatie doorgeven,’ legt Te Nijenhuis uit. ‘Dat is een betere graadmeter om algemene intelligentie mee te bepalen dan een IQ-test.’

Proefpersonen uit 1884 reageerden opvallend genoeg sneller bij reactietests dan proefpersonen uit de twintigste eeuw, bleek al eerder uit onderzoeken van de beroemde wetenschapper Francis Galton.

‘Dat suggereert dat de snelheid waarmee onze hersenen informatie verwerken flink afneemt, we worden dus juist minder intelligent,’ zegt Te Nijenhuis.

Aannemelijk?

De vraag is of reactietests uit de negentiende eeuw zijn te vergelijken met moderne onderzoeken. De technieken waren toen een stuk ouderwetser en het gaat om verschillen van milliseconden.

Bronnen o.a.: J. Wai, The Flynn effect puzzle: A 30-year examination from the right tail of the ability distribution provides some missing pieces, Intelligence, 2011, M. Woodley, It’s getting bigger all the time: Estimating the Flynn effect from secular brain mass increases […], Learning and Individual Differences, 2016, M. Woodley, J. te Nijenhuis, Were the Victorians cleverer than us? […], Intelligence, 2013

Over de top

Terwijl onderzoekers zich nog altijd het hoofd breken over de oorzaken van het Flynn-effect, blijkt uit nieuwe studies in Engeland, Denemarken en Noorwegen dat de stijgende IQ-lijn alweer over zijn piek heen is.

En die studies zijn goed uitgevoerd, constateert ook James Flynn zelf. Hij heeft daarvoor deze verklaring: intelligente mensen in rijke landen krijgen tegenwoordig minder kinderen dan vroeger. Zij geven hun genen voor intelligentie dus minder vaak door.

Uit studies blijkt dat het gemiddelde IQ van de hele bevolking daardoor met één punt per generatie kan dalen. ‘Maar dat is een heel subtiel effect: het is niet zo dat je dat in het dagelijks leven zult merken dat mensen dommer worden.’