Het is vrijdagavond en u gaat naar de late film. U hebt gekozen voor verantwoord drama. Terwijl u aan de bar wacht tot de zaal opengaat, ziet u een terneergeslagen menigte de zaal uit stromen. Een vrouw snikt zelfs zo hartstochtelijk dat zij moeite heeft rechtop te lopen. Haar man ondersteunt haar. U kijkt de stroom verwonderd na. Welke gedachte overheerst? Gelooft u dat de film een grotere tranentrekker is dan u uit de bespreking in de krant had begrepen of denkt u dat het vroege bioscooppubliek nodig aan de Prozac moet?

Deze vraag is een belediging voor uw intelligentie, want het is duidelijk dat de somberheid van het vroege bioscooppubliek meer te maken heeft met de film dan met de persoonlijke kenmerken van de betrokkenen. Toch blijkt dit een van de zeldzame situaties te zijn waarin wij in dit opzicht geen fout maken. Als we proberen te verklaren waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt, denken we veel te vaak dat het een kwestie van karakter is, terwijl we de invloed van de omstandigheden systematisch onderschatten. Nodig bijvoorbeeld een zachtaardige en coöperatieve vriend uit voor een spelletje dat u Wallstreet noemt en hij zal tegen de verwachting in laten zien dat hij ook beschikt over de nodige wedijver. En als u een haantje-de-voorste uitnodigt om hetzelfde spel te spelen dat u dit keer omdoopt tot het Commune spel, dan is de kans groot dat hij zich coöperatiever zal gedragen dan u ooit van hem verwacht had.

De overschatting van de invloed van de persoonlijkheid heet in het jargon van psychologen de fundamentele attributiefout. Deze fout maken wij mensen elke dag opnieuw. De baas die door de moordende concurrentie gedwongen wordt een impopulaire beslissing te nemen, heeft al snel een slecht karakter en de ondergeschikte die van mening verschilt met zijn baas heeft volgens zijn collega’s moeite met het accepteren van autoriteit. Over Els Hupkes concluderen we heel gemakkelijk dat zij haar man Ferdi E. – de ontvoerder en moordenaar van Gerrit-Jan Heijn – trouw is gebleven vanwege een karakterfoutje. We vergeten dat de daden van haar man ook haar geïsoleerd hebben en dat deze twee mensen elkaar beter begrijpen dan buitenstaanders die zich nooit in zo’n uitzonderlijke positie hebben bevonden.

De fundamentele attributiefout maakt ook dat we tegenwoordig de begrippen winner en loser zo gemakkelijk in de mond nemen. Als Pieter en Inge een paar baantjes snel zwemmen op de Olympische Spelen, verschijnen er onmiddellijk commentaren in de krant dat de zwemmers uit Eindhoven meer karakter hebben dan de plaatselijke voetballers. De schrijver ‘vergeet’ op zo’n moment even dat de begaafdste voetballers allang door buitenlands kapitaal zijn weggekocht.

Een laatste voorbeeld komt van het televisieprogramma Ja, ik wil een miljonair. Dit programma biedt vrouwen de kans om in het huwelijk te treden met een man die op eigen kracht geen partner kan vinden. Desondanks werpen vijftig vrouwen zich op televisie voor zijn voeten, omdat van hem bekend is dat hij een miljonair oftewel een winner is. Als televisiemakers de winnaars van een olympische gouden medaille bereid zouden vinden om een partner te zoeken via de televisie, zou men een heel stadion met huwelijkskandidaten kunnen vullen.

Het groot woordenboek Engels-Nederlands van Van Dale slaat de plank dan ook mis als het vermeldt dat de begrippen winners en losers vertaald kunnen worden als winnaars en verliezers. Deze Nederlandse equivalenten beschrijven vrij feitelijk hoe iemand het er bij een bepaald spelletje of conflict van af heeft gebracht. Maar een echte winner heeft niet alleen gewonnen; hij is ook uit het juiste hout gesneden. Het is een soort supermens. Aan de andere kant van de medaille gebeurt het omgekeerde. De loser heeft niet een keer pech gehad, maar is een mislukking, een minkukel.

De fundamentele attributiefout is in de begrippen winner en loser ingebouwd en dat leidt tot absurde en onhoudbare situaties. Een klassieke uitspraak van Margaret Thatcher illustreert dit: ‘Elke man die op de leeftijd van zesentwintig jaar nog met de bus reist, moet zichzelf als een mislukkeling beschouwen.’ Het ongelooflijke is dat ze dit oprecht meende. Thatcher dacht dat er iets ernstig mis moest zijn met iedereen die na enige werkzame jaren nog steeds geen auto heeft. Over haar is dan ook terecht opgemerkt dat zij zich laat verblinden door oppervlakkige totems van succes en mislukking. Zowel de winners als de losers hebben beter verdiend.[/wpgpremiumcontent]