Hoeveel werk past er eigenlijk in mijn leven, vraag ik me af als ik in het spitsuur dwars door de stad van de redactie naar de Keizersgracht race. Een krap uur geleden hebben we het blad naar de drukker gestuurd. En omdat ik in mijn post-deadline-adrenalineroes de illusie koester dat ik nu opeens bergen tijd heb om te schrijven, ben ik alweer onderweg naar de volgende klus: een filosofieavond over werk.

TEST
Doe de test »

Is het tijd voor een nieuwe baan?

De cursus waar ik naartoe ga, is het populairste programma van Brandstof, de Nederlandse tegenhanger van Alain de Bottons ‘School of Life’. Stichting Brandstof organiseert interactieve programma’s waarin alledaagse problemen worden belicht vanuit de filosofie. Het zijn vrolijke avonden die een mix trekken van zoekende twintigers, dolende dertigers en breed geïnteresseerde veertigers en vijftigers. Vanavond zal filosoof Ad Verbrugge als gastspreker onze gedachten over werk komen opschudden.

Maar eerst gaan we ontdekken welke drijfveren in ons eigen werk het belangrijkste zijn. In de ruimte staan groepjes foto’s opgesteld: van Obama, een kitesurfer, een pottenbakker, een Rolex, de productieafdeling van een autofabriek. Op gevoel kiest iedereen het groepje foto’s dat hem het meest aanspreekt. De beelden blijken symbool te staan voor de drijfveren in ons werk: missie, passie, ambacht, status en broodwinning. Welke van die drijfveren vind je belangrijk, is de vraag. En: zitten ze ook voldoende in je huidige werk?

De advocate uit mijn groepje voelt zich aangesproken door de foto van de fabrieksarbeiders: ‘Die mensen hebben tenminste het gevoel dat ze iets gedáán hebben in hun dag,’ verzucht ze. ‘Ik ben vooral bezig met heel veel geld verdienen voor het tweede huis van de baas.’ Passie en missie staan boven aan haar wensenlijstje, maar in haar rol als advocate ondernemingsrecht bungelen die drijfveren tot haar schrik ergens onderaan. Zelf ontdek ik juist hoe goed mijn werk aansluit op wat ik belangrijk vind – wat nog wordt versterkt als ik erover vertel, en anderen jaloers beamen wat een geweldig leuke baan ik heb (en kijk, daar komt status om de hoek kijken).

De levensvragen die de onderlinge gesprekjes hebben opgeleverd, worden verzameld en opgeschreven. ‘Hoe kan ik me verbinden met mijn passie’, staat op een van de vellen papier. ‘Kan ik mezelf zijn in mijn baan?’ ‘Hoe kan ik mijn passie en mijn missie omzetten in betaald werk?’

Het is duidelijk: anno 2012 vervangen passie en missie de ooit zo begeerlijke lease-auto en het goede salaris – de statussymbolen van een generatie die is grootgebracht ‘in de antenne van de behoeftepiramide van Maslow,’ zoals Ad Verbrugge het verwoordt. Na de pauze komt hij onze moderne levensvragen eens lekker relativeren. ‘Moet je werk per se zin geven aan je leven?’ vraagt Verbrugge zich af. ‘Plato en Aristoteles hebben nooit een letter geschreven over werk! Maken we dit onderdeel van het menszijn niet veel te belangrijk? En waarom moet je werk eigenlijk je passie zijn – is dat niet een beetje veel gevraagd?’

Misschien overschatten we tegenwoordig wat werk ons allemaal kan bieden, waarschuwt Verbrugge, zoals we ook heel veel verwachten van liefdesrelaties: ‘In die enorme verwachting zit de teleurstelling al ingebakken. Het wordt tijd om te accepteren dat we niet alles kunnen hebben.’ Het is een onderhoudend en bij vlagen erg geestig betoog, waarvan de moraal bevrijdend is: verwacht niet te veel, en probeer te houden van datgene wat je doet – wat het ook is.

Die woorden klinken nog na als we later aan tafel schuiven, de lichten gedimd, de wijn in de glazen. Het leidt tot geanimeerde gesprekken met mijn tafelgenoten. En als ik ver na tienen naar huis fiets, weet ik één ding zeker: als je zo’n inspirerende avond hebt gehad, en dat valt ook nog onder ‘werk’ – dan past er dus héél veel werk in mijn leven.