Als kinderen leren praten, doen ze dat in een vaste volgorde van mijl­palen. Baby’s beginnen met losse woordjes en gebruiken vooral zelfstandige naamwoorden (mama, sap) en sociale woorden (daaag!). Naarmate ze ouder worden, gaan ze ook werkwoorden gebruiken, en maken ze steeds langere en complexere zinnen. De volgorde van deze stadia is bij alle kinderen en in alle talen gelijk.

Maar waarom eigenlijk? Kunnen kinderen steeds ingewikkelder zinnen maken doordat ze cognitief steeds meer kunnen? Of is dit misschien de beste volgorde om een taal onder de knie te krijgen?

Om deze vraag te beantwoorden, volgden psychologen van Harvard University de taalontwikkeling van geadopteerde Chinese kleuters. Net als baby’s moesten deze kindjes hun nieuwe taal vanaf nul leren spreken. Maar ze waren wel ouder, en dus verder in hun mentale ontwikkeling. Bovendien spraken ze al een mondje Chinees en hadden ze dus al een aantal taalstadia doorlopen.

Wat bleek: de adoptiekinderen gingen door precies dezelfde volgorde van stadia als kinderen die een eerste taal leren, alleen iets sneller. Blijkbaar is dit dus de volgorde die nodig is om een taal te ontcijferen, concluderen de onderzoekers.

Psychological Science, januari 2007