Hoe jonger kinderen leren dat seks gewoon is, dat je je er niet voor hoeft te schamen, en dat je er vooral veel plezier aan kunt beleven – hoe beter dat is. Dat is de overtuiging van Sanderijn van der Doef, die begin dit jaar de champagne ontkurkte nadat onderwijsminister Van Bijsterveldt bekend had gemaakt dat seksuele voorlichting wordt opgenomen in de kerndoelen van het basis- en middelbare onderwijs.

Het was een moment van triomf voor Van der Doef, die het naar eigen zeggen als haar missie zag om seksualiteit op de agenda te krijgen in het basisonderwijs.

De psychologe schreef de afgelopen twintig jaar een reeks vrolijke, informatieve boeken over seks voor kinderen van alle leeftijdsgroepen én hun ouders. Inmiddels is een aantal van die boeken vertaald; binnenkort verschijnt zelfs de Chinese versie van Ik vind jou lief. Want Van der Doef heeft haar werkterrein inmiddels uitgebreid naar Afrika en Azië. ‘Als ik daar vertel dat seks iets is waarvan we kunnen en mogen genieten, vrouwen ook, en dat het heel normaal is als kinderen er nieuwsgierig naar zijn – dan zie ik zóveel opluchting bij die mensen. Daar is nog een wereld te winnen.’

Hoe komt u aan zo’n missie?

‘Het begon toen ik in 1985 ging meewerken aan een onderzoek over aids-voorlichting op scholen. Ik was toen nog wetenschappelijk onderzoekster, maar ik merkte dat ik dat concrete voorlichtingswerk veel leuker vond. Zo kwam ik terecht bij de Rutgers Stichting (een organisatie die consultatiebureaus voor anticonceptie runde en voorlichting gaf – red.). Daar viel me op dat er nauwelijks aandacht was voor seksuele voorlichting op basisscholen. Dat vond ik raar. Mijn eigen kinderen waren toen nog klein en ik zag van alles bij hen gebeuren; ze stelden me allerlei vragen. Zelfs bij de Rutgers Stichting waren geen boeken te vinden voor die leeftijdsgroep. Die ben ik toen maar gaan schrijven.’

Waarom is het zo belangrijk om kinderen al jong over seks te vertellen?

‘Omdat ze er dan al mee bezig zijn. Ze doen seksuele spelletjes, ze willen zien hoe het bij anderen in elkaar zit. Dat hoort gewoon bij hun ontwikkeling.

Het gaat mij niet alleen om de bloemetjes en de bijtjes en de vraag hoe dat nou zit met eileiders en zaadstrengen. Het is ook belangrijk dat kinderen jong leren hoe je met jezelf en met elkaar omgaat. Dat je van jezelf mag houden én aardig moet zijn voor anderen. En dat sommige dingen echt niet kunnen.’

Zoals ‘doktertje spelen’?

‘Doktertje spelen is heel normaal. Het hoort bij de gewone ontwikkeling van kinderen. Ik merk dat daar de laatste jaren op scholen bijna spastisch op gereageerd wordt. Ik ben er een paar keer bijgehaald. Vaak ging het dan om een kind onder de 8 dat was betrapt op het onderzoeken van een ander kind. Grote paniek op school, kind geschorst, ouderbijeenkomsten, politie erbij. Als dan de zaak goed doorgepraat werd, bleek het om vrij onschuldig gedrag te gaan. Dan denk ik: kijk nou hoe nodig het is om gewoon over dit onderwerp te praten. Als dat niet wordt gedaan, krijg je dit soort excessen.’

Maar wat is hier dan het exces? Het gedrag van de jonge onderzoeker, of de reacties erop?

‘Niet het gedrag. Dat is van alle tijden. Maar die paniekreactie bij ouders en leerkrachten. De woorden die gebruikt worden, zoals: “Dat kind is oversekst”. Termen als “dader” en “slachtoffer”. Daarmee stigmatiseer je enorm. Wat voor invloed heeft dát op een kind? En op zijn seksuele ontwikkeling? Gigantisch.’

En zo’n paniekreactie voorkom je door op scholen meer over seks te praten?

‘Ja, want dan leren de kinderen én hun opvoeders dat dergelijk gedrag op zich niet vreemd is. Maar ook dat je er regels aan kunt stellen. Zoals: “Je doet elkaar geen pijn” en “Je doet niet iets wat de ander niet wil”. Kinderen moeten ook leren dat ze nee mogen zeggen, en het nee van een ander moeten respecteren. Als daar duidelijk over gesproken wordt, zou iedereen heel anders op zulke incidenten reageren.’

Opvoeders moeten dus eigenlijk ook seksueel voorgelicht worden.

‘Inderdaad. De opvoeders van nu zijn de kinderen van de jaren tachtig, en in die jaren was er een omslag waardoor de grote – soms misschien té grote – openheid van de jaren zestig en zeventig verdween. Het was de tijd dat steeds meer mensen aids kregen, en je had dat beroemde onderzoek van psychologe Nel Draijer, die ontdekte dat relatief veel vrouwen te maken hadden gehad met misbruik. Daardoor is het denken over seksualiteit erg veranderd.’

We zijn preutser geworden.

‘Dat klinkt wel erg negatief. Maar er is veel angst. Dat zag ik al in de jaren negentig bij mijn kinderen op school. Als ze huilden namen mannelijke leerkrachten ze niet meer op schoot. Die enorme angst dat je misschien een grens overschrijdt. En nu dus ook dat kinderen onderling grenzen overschrijden.

Dat merkte ik ook in de jaren dat ik lezersvragen beantwoordde op Ouders Online. Daar ben ik onlangs mee gestopt, maar ik kreeg veel vragen over seksspelletjes, en over kinderen die aan zichzelf zaten. Daar hebben ouders allerlei angstige ideeën bij. Hoe vaak ik niet te horen kreeg: mijn kind zit de hele dag aan zijn piemeltje, en dat is begonnen sinds mijn man en ik uit elkaar zijn – zou er iets zijn gebeurd toen hij bij zijn vader was? Terwijl zo’n jongetje dat ook wel gedaan zou hebben als de ouders niet waren gescheiden.’

Maar vroeger werd zulk gedrag toch ook geproblematiseerd? Al die kindertjes die met hun handjes boven de dekens moesten slapen…

‘Ha! In de jaren zeventig niet, hoor. Je zou de opvoedboeken uit die tijd eens moeten zien. Bij de Rutgers Stichting hadden we een hele verzameling, maar die is helaas weggegooid. Daar stonden foto’s in, die zou je tegenwoordig absoluut niet meer kunnen maken. Prachtige foto’s, hoor, maar wel van kinderen die aan elkaars geslachtsdelen zitten. En daaronder dan teksten als: “Dit is wat kinderen doen – elkaar ontdekken.” Nu zouden we dat kinderporno noemen.’

Ten onrechte?

‘Nou… ik zou zulke foto’s nu ook niet meer gebruiken. Niet omdat die beelden op zich erg zijn, maar ik ben me wel veel meer gaan realiseren dat je kinderen moet beschermen tegen zichzelf. Hoe normaal het ook is wat ze daar doen, als ze groter zijn, willen ze niet met zulke foto’s van zichzelf geconfronteerd worden.

Ik heb veel trainingen over de seksuele ontwikkeling van kinderen gegeven in de kinderopvang. Vaak kwam dan de vraag: heb je hier geen filmpje bij? Bijvoorbeeld als je vertelt dat een klein kind al een orgasme kan krijgen. Vaak reageerden de leidsters daar vol ongeloof op. Dan was het dus heel handig geweest als ik het had kunnen laten zien. Maar dat heb ik altijd pertinent geweigerd. Je kunt in een cursus gewoon geen beelden opnemen van een baby die ligt te masturberen, ook niet als de ouders daar toestemming voor geven. Zo’n kind kan zich er later wel voor doodschamen.’

Toch blijft het vreemd. Seksueel gedrag hoort net zozeer bij de ontwikkeling van een kind als ruziemaken om een speeltje. Waarom doen we hier dan ineens zo moeilijk over?

‘Tja… het is wel iets persoonlijks en intiems.’

Moeten we seks misschien vergelijken met neuspeuteren? Lekker, maar niet iets wat je doet waar anderen bij zijn?

‘Inderdaad. Sommige dingen zijn privé. Volwassenen zitten ook niet in het openbaar aan hun geslachtsdelen. Als dat de norm was, zaten wij nu ook gezellig met de handen tussen de benen.’

Dus als een peuter aan zijn piemeltje zit te friemelen, mag je er wel wat van zeggen.

‘Ja hoor. Dat is trouwens ook iets waar ouders tegenwoordig vaak heel moeilijk over doen. Dan zijn ze bang dat ze hun kind in z’n seksuele ontwikkeling storen. Maar je kunt best zeggen dat ze ermee moeten ophouden. Dat doe je bij ander ongewenst gedrag toch ook? Het is wel belangrijk dat je het kind niet afstraft. Dat je niet zegt: “Doe niet zo vies.” Je zegt alleen: “Leuk en prima wat je doet daar, maar niet iedereen vindt het fijn om te zien, dus doe het maar op je kamer.”‘

En hoe open moet je als ouder nu zijn over je eigen seksleven?

‘Je hoeft je als ouder helemaal niet bloot te geven. Kinderen zitten echt niet te wachten op verhalen over jouw seksuele ervaringen. Het idee dat je het onderwerp daarmee makkelijker bespreekbaar maakt – daar geloof ik helemaal niet in.

Waar kinderen wel wat aan hebben, zeker in de puberteit, is dat je ze met een open, informerende houding benadert. Dat kan heel losjes en indirect. Dus niet van: “Heb jij al seks gehad? Wanneer dan, met wie?” Maar bijvoorbeeld: “Goh, ik lees net dat de gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst seks hebben, 17 jaar is. Wat vind jij daarvan?” En als je kind dan zegt: “Nou, dat vind ik wel oud,” kun jij weer vragen: “Wat vind jij dan een goede leeftijd?” Zo laat je merken dat je graag wilt weten hoe zij bepaalde dingen ervaren. Op een gelijkwaardige manier, niet veroordelend.’

Het klinkt zo simpel, maar in de praktijk vinden bijna alle ouders het lastig losjes over seks te praten met hun kinderen.

‘Omdat we er zelf nog zo krampachtig mee omgaan. Er wordt nog steeds weinig over gepraat, zelfs niet met goede vrienden. Wel over seks in het algemeen, maar niet over wat we zelf doen. Ik vermoed dat veel mensen denken dat zij als enige een normaal, sáái seksleven hebben. De rest doet allemaal rare, spannende dingen. Er is veel twijfel over onze eigen seksualiteit. En dat maakt het tot een gevoelig punt.

Maar uiteindelijk doen we het in Nederland nog best goed, hoor. Wat openheid betreft doen we het in elk geval altijd nog beter dan elders in de wereld. Toevallig is daar vorig jaar een boek over verschenen, Not under my roof, van de Amerikaanse sociologe Amy Schalet. Zij woonde als kind in Nederland en de afgelopen jaren heeft ze vergeleken hoe Amerikaanse en Nederlandse ouders omgaan met de seksualiteit van hun pubers. Het meest illustratieve verschil was hoe ouders reageren als een vriendje wil blijven slapen. In Amerika zeggen ze: “Doe wat je niet laten kunt, maar ik wil het hier thuis niet hebben.” Terwijl Nederlandse ouders zeggen: “Ik heb liever dat je het hier doet dan buiten in de bosjes.” Volgens Schalet is mede daardoor het aantal tienerzwangerschappen en geslachtsziekten in Nederland veel lager. En dat ís echt zo. Het overgrote deel van de Nederlandse jongeren vrijt veilig, heeft plezier in seks en doet geen rare dingen.’

Sanderijn van der Doef studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en werkte daarna twaalf jaar als onderwijsonderzoeker. In 1990 ging ze voor de Rutgers Stichting werken. In de jaren daarna schreef ze zeven boeken over seks voor kinderen en ouders, en ontwikkelde ze lesmateriaal voor scholen. Van 2002 tot 2004 volgde ze een opleiding seksuologie en sinds 2003 heeft ze ook een eigen praktijk als seksuologe. Momenteel is ze veel in ontwikkelingslanden, waar ze voor Rutgers WPF projecten over seksuele voorlichting begeleidt.

Stelt uw kind lastige vragen over seks? Als plusabonnee kunt u advies vragen aan een van onze experts op psychologiemagazine.nl/vraagadvies