Verbijsterd waren ze, de ouders die hun huilbaby naar de Isala-klinieken in Zwolle hadden gebracht. Een paar dagen nadat ze hun kind ten einde raad hadden laten opnemen, was er niks meer aan de hand. Binnen een paar ­etmalen leek hun kind een modelbaby geworden en huilde het niet meer dan andere baby’s. En het gekke was: in het ziekenhuis was er niets met de baby gedaan. Geen onderzoek, geen ­medische ingrepen, geen speciale voeding. Het kind was ‘vanzelf’ gestopt met huilen.

Een incident? Zeker niet, concludeerden de artsen toen ze de dossiers vergeleken van alle huilbaby’s die ze de laatste zes jaar hadden opgenomen. Wat bleek? Van de 88 zuigelingen die naar de klinieken waren gebracht, waren bijna alle baby’s binnen enkele dagen gestopt met hun excessieve huilgedrag. Slechts bij drie kinderen hadden de artsen een medische oorzaak gevonden; bij acht vermoedde men wel een lichamelijk probleem, maar kon dit niet worden bewezen. Waar werd het huilgedrag dan wel door veroorzaakt? Door de omgeving van de baby’s?

Kennelijk wel. Het viel de onderzoekers van de Isala-klinieken op dat bij veel van de baby’s de zwangerschap of bevalling problematisch was geweest. Ook waren er bij bijna de helft van de baby’s aanwijsbare stressfactoren in het gezin, bijvoorbeeld relatieproblemen, ziekte van een van de ouders of een ouder kind met ernstige gezondheidsproblemen. Bij driekwart van de zuige­lingen was er zelfs sprake van een combinatie van moeilijke zwangerschap of bevalling en stressfactoren in het gezin.

De onderzoekers concludeerden dan ook dat daar de oorzaak van het huilen ligt, en publiceerden hierover in de vakbladen. In de kranten verschenen koppen als ‘Huilbaby’s huilen door ouders’ en ‘Medisch gezien is er met huilbaby’s niets mis’. Dit schoot de ouders in het verkeerde keelgat: zij voelden zich aangevallen. Was het hun eigen schuld dat hun baby’s zo huilden? Ze voelden zich niet ­serieus genomen in hun zorgen.

Log in om verder te lezen.