Wie ben je?

‘Een beschouwer. Ik kan goed naar mensen kijken. Vanaf het moment dat ik de deur uit ga, vallen mij meteen allerlei dingen op. Vooral als het niet goed functioneert tussen mensen, zijn mijn oren gespitst. Ik hoef maar op een feestje te zijn en er gebeurt iets, of ik ben het al aan het opschrijven in mijn hoofd. Als ik thuiskom, zet ik het vaak snel nog even op papier.

Alles in het dagelijks leven is materiaal voor mij. Als ik een scenario schrijf, komen allerlei voorvallen op zeker moment vanzelf van pas. Eigenlijk ben ik in mijn hoofd altijd aan het werk. Zelfs als ik niet kan slapen, ga ik verder met het uitwerken van de verhaallijn die op dat moment op mijn bureau ligt.

Wat mij fascineert aan mensen is dat ze zo vaak bij het tegenovergestelde uitkomen van wat ze willen. Iedereen is uiteindelijk toch wel een beetje aan het ploeteren met het bestaan. Er zijn maar weinig mensen die helemaal tevreden zijn met wie ze zijn, met wat ze hebben en met hoe hun leven loopt. De meesten zien toch hun dromen tussen hun vingers wegglippen.

Het lijkt wel een wetmatigheid: als je iets te graag wilt, kom je in de verkeerde concentratie. Je wordt te krampachtig, te oogklepperig en komt uit bij het tegendeel van wat je wilde. Ik denk dat het een soort filosofisch principe is: alles in het leven hangt aan elkaar van tegenstelling.

In mijn films probeer ik dat allemaal te laten zien. Maar dan niet op een harde, compromisloze manier. Nee, ik stop er ook humor in, en compassie. Om het pijnlijke minder pijnlijk te maken. Maar ook omdat ik vind dat je mensen moet proberen te begrijpen, anders kun je niet van ze houden. Dat verbeelden van het menselijk onvermogen klinkt somber, maar het doet me op de een of andere manier goed er films over te maken. Misschien geeft het wel zin aan mijn leven.

De zin van mijn leven, daar had ik in mijn jeugd totaal geen idee van. Ik dobberde een beetje doelloos rond en vond mezelf niet leuk. Ik had één vriendin met wie ik enorme lol had, maar verder was ik sociaal niet zo sterk, ik voelde ik me overal buiten staan.

Wat het niet makkelijker maakte, was dat mijn vader op mijn zesde van ons wegliep. We hoorden nooit meer wat van hem, tot ik dertien was. Toen lag opeens zijn rouwbrief op de mat; de begrafenis was al voorbij. Hij bleek het zo te hebben gewild, op zijn ziekbed had hij gezegd dat wij pas na de begrafenis mochten weten dat hij dood was. Heel naar, en afschuwelijk voor mijn moeder, alsof hij haar op die manier een trap na gaf. Ik koos partij voor mijn moeder en had jarenlang het idee dat het me niks deed wat mijn vader had gedaan.

Wat hielp, was dat mijn moeder vrij snel na het vertrek van mijn vader een relatie kreeg met een prima vervanger. Een man die een stuk leuker was dan mijn vader. Niet zo boos, teleurgesteld en bitter. Mijn vader kénden we ook amper; als vertegenwoordiger van kastensystemen was hij altijd op pad geweest. Als je mij nu vraagt: “Welke herinnering heb je aan je vader?” dan zou ik het echt niet weten. Ik herinner me niks van hem. Tot mijn zesde is mijn geheugen blanco.

Inmiddels ben ik er wel achter dat het me allemaal veel dieper heeft geraakt dan ik mezelf altijd heb wijsgemaakt. Op gezette tijden denk ik: “Ik zou in m’n vaders geschiedenis moeten duiken, in hypnotherapie moeten gaan.” Maar wat schiet je ermee op? Ik denk niet dat het nuttig is te veel te gaan hangen in je verleden.

Trouwens, ik heb niet eens tijd me met vroeger bezig te houden. Ik loop de hele dag te rennen, is het niet voor mijn kinderen dan is het wel voor werk. In de filmwereld moet je met zesduizend projecten tegelijk bezig zijn, wil je af en toe het geluk hebben dat één film ook echt gemaakt kan worden. Je bent als filmer zó afhankelijk van financiers, producenten en distributeurs. Ook al heb ik dan een paar jaar geleden een Oscarnominatie gehad voor Zus en zo, ik moet bij elke film weer alle zeilen bijzetten om geld bij elkaar te krijgen.

Ik ga nu een Engelstalige film maken met Carice van Houten, over een Nederlandse dichteres in Zuid-Afrika, en daar verwacht ik veel van, maar vaak lukt het niét een film gemaakt te krijgen. Zoals De gelukkige huisvrouw, naar het boek van Heleen van Royen. Ik heb wel vijftien versies van het script moeten schrijven, maar het Filmfonds bleef nul op het rekest geven. Daar word je weleens moedeloos van.

Soms denk ik dan: “Laat mij maar Onderweg naar morgen regisseren; heb ik een lekker rustig leventje.” En vervolgens denk ik: “En nú ga ik naar Hollywood.” Ik heb daar een ingang door die Oscar­nominatie. Ik bén daar iemand; als Oscar nominee word je met alle egards behandeld. Geweldig was het, joh: bij de uitreiking liepen we met zes vrouwen, meísjes gewoon, in galajurk, in een enorme roes, over de rode loper: we wáren er.

Hollywood zit vol met superslimme mensen die zeer professioneel zijn en analytisch naar films kijken, er wordt daar keihard en op het allerhoogste niveau gewerkt. Dat trekt me aan: dat je je hersens op volle toeren moet laten werken. In Nederland is filmmaken toch meer hobby, we willen het vooral gezellig met elkaar hebben hier. Helaas is het me nog niet gelukt in Amerika iets van de grond te krijgen, en ik mag wel opschieten, want die Oscarnominatie begint te verjaren. Ik heb dan wel aan tafel gezeten met Michelle Pfeiffer en Danny DeVito, maar als ik het echt in Amerika wil maken, moet ik daar ook gaan wonen, heb ik gemerkt.

Ach, het is niet zaligmakend, hoor. Hier ben ik heer en meester over mijn film, dáár moet je buigen voor de commercie. Ik wil het mijn kinderen nu ook niet aandoen ze uit hun leven hier weg te halen, of ze voor langere tijd achter te laten. Ik ben ambitieus, maar blijkbaar niet zo dodelijk ambitieus dat ik mijn kinderen ervoor opoffer. Hun welbevinden is voor mij net iets belangrijker.’

Waar geloof je in?

‘Niet alles wat je wilt, moet je ook krijgen. Anders heb je niks om naar te kunnen verlangen. Maar het moet ook weer niet zo zijn dat je te veel tekortkomt; dan loop je met een gat in je ziel rond. Je moet nét genoeg krijgen om niet ongelukkig te zijn.

Natuurlijk heb ik er altijd van gedroomd een Oscar te winnen, maar ik vraag me inmiddels wel steeds meer af waarom ik dat zo graag wilde. Het is toch een soort geldingsdrang: je wilt opgemerkt worden. Misschien is het compensatie voor het feit dat je te weinig gezien bent als kind. Maar wat ook meespeelt, is de tijd waarin we leven: je moet winnen, anders tel je niet mee. Zelfs op film- en toneelscholen heerst een idiote competitie. De studenten zijn heel egoïstisch. Alles is tegenwoordig economie, ook op wereldniveau. We leven in een harde tijd.

Ik wil best winnen, maar niet ten koste van alles. Het belangrijkste is dat ik de films kan maken waar ik zelf iets mee heb en die een snaar raken bij mensen. Als ik daar een groot publiek mee bereik, is dat mooi meegenomen. Want scoren blijft natuurlijk leuk.’

Wat was een keerpunt?

‘Toen ik op de filmacademie mijn eindexamenfilm maakte: mijn eerste eígen film die aan de wereld werd getoond. “Wow,” dacht ik, “dit vak is écht leuk, hier voel ik me als een vis in het water.” Lange tijd had ik niet geweten wat ik moest, en toen ging ineens die deur voor me open. Ik ontdekte hoe je antwoord kunt geven op de harde werkelijkheid: via de verbeelding.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Mijn eeuwige haast. Elke dag moet ik zien dat ik niet uit elkaar val van de duizend dingen die ik allemaal tegelijk moet doen. Mijn leven is overvol. Als ik bij mijn kinderen ben, moet ik echt moeite doen om mijn hoofd een beetje stil te krijgen. Mijn mobiel gaat de hele tijd, mijn mailbox zit altijd vol, er is altijd iets op te ruimen in huis, en de weekendkranten krijg ik ook nooit uit. Ik houd van rust en diepgang, maar het lukt me niet echt geloof ik.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Ik merk er niet zo veel van. Of nou ja, bij de op­names van mijn nieuwste film, over de treinkaping bij Wijster, zeiden de Molukse jongeren die meespeelden, “u” tegen me. Dat was me nog nooit eerder overkomen. Grappig was dat.

Wat trouwens fijn is van 43 zijn, is dat je al een hoop kennis hebt. Maar de meest ideale leeftijd is volgens mij toch 30. Dan ben je nog onbevangen en onderneem je totaal waanzinnige projecten. Als een soort Hannibal ga je met een stel olifanten de Alpen over, terwijl iedereen zegt dat het niet kan. Als een tank ga je dwars door alles heen. Nu ben ik veel gecontroleerder.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Liefde geeft waanzinnige energie. Het maakt dat alle stoplichten op groen gaan. Het is een warmtebron en een prettig bedje. Het uitzonderlijke van het samen­zijn tilt je op. Maar ik geloof niet dat je altijd bij dezelfde persoon hoeft te blijven. Per levensfase kun je veranderen en dan kan het zijn dat je beter past bij een ander iemand.

Maar mijn vorige relatie was ook niet bestand tegen de eisen van het moderne leven. Je moet te veel tegelijk tegenwoordig. Je wordt geacht 150 procent energie te steken in je werk, en dan heb je ook nog je kinderen en je relatie. Je wilt het op alle fronten goed doen, maar de paradox is dat sommige dingen uit je handen vallen. Zoals dat huwelijk met Theu dus (acteur en regisseur Theu Boermans, red.). Ik denk dat het probleem was dat we geestelijk te weinig beschikbaar waren voor elkaar. We hadden het allebei te druk met van alles. Je hebt je geluk tegenwoordig zogenaamd helemaal zelf in de hand, maar dat levert ook een enorme druk op. Al die zelfopgelegde doelen, vreselijk beklemmend eigenlijk! Ik zie veel mensen hierop stuklopen: begin je net goed te worden in je werk, maar dat is óók de leeftijd waarop je kinderen krijgt. Er zit iets heel onrechtvaardigs in.

Ik heb nu een nieuwe relatie. We vormen geen gezin, zoals met Theu. We zien elkaar als we daar prijs op stellen. Hij is een heel ander iemand. Hij wordt door andere dingen gedreven, en dat levert weer een andere relatie op dan de vorige. Vind ik prima. Verder moet je volgens mij niet te veel verwachten in een relatie. Je moet niet proberen de ander te veranderen. Het gaat erom dat je de gemene deler vindt en samen geniet van die zielsverwantschap.

Een relatie is niet een absolute must voor mij; ik kom er niet door tot leven, als je dat soms bedoelt. Nee, dat superieure gevoel heb ik alleen op de set. Wat ik wel heel fijn vind aan een relatie is dat je niks hoeft op te houden. In de buitenwereld ben je altijd bezig jezelf op een weegschaal te leggen, omdat anderen je continu aan het beoordelen zijn. In een relatie kun je je helemaal thuis voelen. Maar dat wil niet zeggen dat je je hersens er niet bij hoeft te houden. Je moet alert zijn. En naar jezelf durven kijken. Er zijn voor de ander. Anders raak je elkaar kwijt.’n

Op 29 mei wordt Paula van der Oests telefilm Wijster uitgezonden (Nederland 3, 20.30 uur).[/wpgpremiumcontent]