Nooit kind geweest

Wat doe je als mama altijd ziek is, of je ouders nauwelijks Nederlands spreken? Helpen. Vijf volwassenen over hoe het is om als kind een verantwoordelijkheid te krijgen die veel te groot is.

‘Ik vond het normaal dat ik het huishouden draaiende hield’

Isabel Schutz (41): ‘Het begint als een spel: zorgen voor je demente oma, voor je moeder die door een medicijnverslaving niet functioneert, voor je vader die de hele dag werkt, voor je kleine zusje én voor je oudere broer – in mijn geboorteland Zwitserland werd die namelijk niet aangesproken op het huishouden. Als tienjarige vind je dat normaal. Ik was er trots op dat ik het allemaal klaarspeelde.

De willekeur, de stemmingswisselingen van mijn moeder waren niet te bevatten. Als ik van school kwam en het huis binnenstapte, rook ik al of er onheil was. Als ik niets deed, was er geen eten, geen schone was, geen leven. Het viel me steeds zwaarder en in de loop der jaren kreeg ik allemaal fysieke klachten: hoofdpijn, misselijk, moe. Omdat ik verzuimde, greep het schoolhoofd in. Mijn vader stuurde me een tijd naar mijn peettante. Weg uit huis. Het voelde als moedermoord. Maar wat een opluchting.

Toen ik begin twintig was, trok ik naar Amsterdam. Ik voelde me er thuis. Maar precies op het moment dat ik hier een permanente verblijfsvergunning kreeg, hield mijn lichaam ermee op. Ik kon letterlijk niet meer uit

mijn bed komen, nog geen paar meter lopen. Er kwam een glazen stolp over me heen. Ik krabbelde weer op, maar de depressies kwamen telkens terug.

Op mijn 35ste bleek ik zwanger, waarop mij toenmalige vriend me verliet. Hoewel het moederschap voor mij heel beladen was, besloot ik het kind alleen op te voeden. Zes weken na de bevalling van mijn prachtige dochter belde ik midden in de nacht een buurvrouw: “Je moet komen, anders gaat er hier iets vreselijk mis.” Ik was uitgeput van de continue verzorging die de baby van me eiste. “Alwéér,” dacht ik woedend, en ik kon haar in mijn razernij wel wat aandoen.

Toen pas heb ik me gemeld bij een psycholoog. Langzaam begreep ik steeds meer van mijn onmacht en woede. Inmiddels is mijn dochter zeven jaar, volg ik een opleiding waar ik me goed bij voel en heb ik een lieve vriend. Het gaat ons goed.’

‘Het was nooit genoeg voor mijn moeder’

Hanna Vos (60): ‘Mijn vader nam me weleens mee naar een park waar ik bloemen water mocht geven. Toen ik kon lezen, las ik op de steen bij de bloemen mijn eigen doopnaam: Johanna Jacoba. Vreemd, dacht ik, waarom staat mijn naam daar? Maar ik durfde niets te vragen.

Ik werd Jopie genoemd, en hoewel er door familie soms werd gesproken over eerste Jopie en tweede Jopie viel bij mij het kwartje niet. Pas toen ik zelf kinderen had, durfde ik ernaar te vragen. Toen kreeg ik te horen dat mijn ouders voor mijn geboorte een dochter hadden verloren die net zo had geheten als ik. Ze was op haar dertiende verongelukt. In die tijd adviseerde men aan ouders die een kind hadden verloren om maar snel een nieuw kindje te nemen. Dat was ik. Tweede Jopie.

Mijn moeder kon een nieuw kind helemaal niet aan. Ze had zware astmatische bronchitis ontwikkeld en lag ge­regeld in ziekenhuizen en sanatoria. Als ze wel thuis was, mochten we niets, want dan zou ze zich opwinden en stikken. Alles was gevaarlijk. Als ik viel en bloedde, durfde ik niet naar huis, omdat mijn moeder dan misschien blauw zou aanlopen. Mijn redding was mijn vader. Hij droeg me op zijn schouders naar bed en gaf me het gevoel dat het goed was dat ik bestond. Maar voor de rest heb ik altijd het gevoel gehad dat het nooit goed genoeg was.

Rond mijn veertigste ging het opeens mis. Ik wist niet meer wie ik was. Ik had het gevoel dat ik gek aan het worden was. Woedend was ik ook. Ik besefte dat ik mijn hele leven alleen maar geprobeerd had om het anderen naar de zin te maken. Ik twijfelde over alles, zelfs over het bestaan van een overleden zus. Pas toen ik haar graf gevonden had vond ik een beetje rust. Het is me gelukt om redelijk door te leven. Maar daarvoor moest ik mezelf hernoemen: Hanna. Die naam past me beter.’

‘Ik deed alles wat ik vaders zag doen’

Hessel Zondervan (36): ‘Ik was de man in huis vanaf ongeveer mijn negende jaar. Ik deed alle klusjes, pakte de auto in voor de vakantie, beschermde mijn broertje en zusje tegen pestkoppen. Mijn vader had ons gezin verlaten voor een andere vrouw, waarna mijn moeder was teruggegaan naar het dorp van haar ouders. Ik was vijf en mijn jongste zusje een half jaar. Wat ik me herinner is dat we altijd onderweg waren: mijn zusje moest veel naar het ziekenhuis en wij gingen dan mee of werden ondergebracht bij anderen.

Ik was me er al snel van bewust hoe zwaar alles voor mijn moeder was, met drie jonge kinderen. Ik zag hoeveel ze moest doen. Eerst vond ik het leuk om dingen voor haar te doen en daar complimenten voor te krijgen. Ik kon al snel boren, lampen indraaien, stekkers repareren. Maar op een gegeven moment wordt het gewoon van je verwacht en wordt het ook steeds meer. Dan sta je elk jaar in je eentje de ­vakantieauto in te pakken en zegt niemand dat je dat echt niet hoeft te doen.

Ik vond het ook best leuk. Ik deed alles wat vaders doen, dat zag ik bij vriendjes. Ik heb altijd het gevoel gehad dat mijn moeder me nodig had. Misschien ook daardoor ben ik vrij lang thuis blijven wonen, ook toen ik al studeerde.

Nog steeds wil ik iedereen gelukkig houden. Confrontaties ga ik meestal uit de weg. Toch had ik soms moeite met autoriteit, waarschijnlijk omdat ik al die jaren “de man in huis” was en me door niemand meer iets liet vertellen. ­Tegelijkertijd twijfelde ik veel aan mezelf. Ik durfde vaak niet te zeggen dat ik iets goed kon. Heel tegenstrijdig. Gelukkig gaat het tegenwoordig beter.

Ook nu nog voel ik me overdreven verantwoordelijk voor het welzijn van mijn moeder en mijn broer en zus. En als mijn moeder belt voor een klusje, dan kom ik nog steeds.’

‘Tot mijn dertigste ging ik elk weekend naar huis’

Rian (60): ‘Ik was een meisje van elf met een baby, een kind van negen, een kind van zeven en eentje van vijf. Al die kinderen waren mijn broertjes en zusjes, maar omdat mijn moeder voortdurend moe, somber of met migraine op bed lag, was ik de moeder. Ik deed ook het huishouden.

Mijn moeder had twee keer laat in de zwangerschap een miskraam gehad, en een meisje dat gestorven was na een half jaar. Toen mijn jongste broertje geboren was, kon ze het niet meer aan. Als ik thuiskwam van school, telde ik de tegels in de gang: ze ligt wel, ze ligt niet op bed. Ik heb nog steeds de schurft aan dichte gordijnen.

Ik deed thuis dus alles. Op die leeftijd levert zo’n taak je winst op: je bent belangrijk. En ik merkte dat het me goed afging. Mijn vader besprak met mij de financiën en de toestand met mijn moeder als was ik zijn echtgenote.

Toen ik me aanmeldde voor een opleiding waarbij je intern moest, durfde ik dat thuis niet te vertellen. Dat heeft de kapelaan voor me gedaan. Die opleiding was een bevrijding! Toch ging ik tot mijn dertigste nog elk weekend naar huis. Daarna moest ik de hele week bijtrekken.

Mijn hele leven voel ik me verantwoordelijk voor alles. In groepen vul ik als eerste de lege schaaltjes. Ik “moet” ervoor zorgen dat de behoeften van anderen worden vervuld. Ik zelf doe er niet toe. Lang heb ik nauwelijks geweten wat ik zelf wilde. En het enige wat ik wél heel graag wilde met mijn toenmalige partner – een kind -, dat was ons niet gegund. Dat viel mij erg zwaar, juist omdat ik wist dat ik ervoor geschikt was.

In therapie bleek dat ik aan alle kenmerken van seksueel misbruik voldeed. Het begon me te dagen dat het bij mij psychisch misbruik was geweest. Altijd had ik het gevoel gehad dat ik toch niets te klagen had, mijn ouders waren lieve mensen en ik had me toch nooit verzet? Maar ik zie met de wijsheid van nu wel dat je dit van een elfjarige niet mag vragen.’

‘Ik tolkte voor de hele Turkse gemeenschap’

Meral Uslu (46): ‘Ik ben geboren in een boerendorpje zonder elektriciteit in Centraal-Turkije. Mijn vader vertrok in 1965 zonder zijn gezin naar Nederland om daar zijn geluk te beproeven. Mijn moeder, analfabete, vroeg aan de onderwijzer in het dorp of ik als oudste dochter een jaar eerder naar de basisschool kon, om snel te leren lezen en schrijven. Binnen de kortste keren schreef ik de brieven voor mijn moeder. Zes jaar was ik toen.

Toen ik tien was, liet mijn vader ons naar Nederland overkomen. In eerdere vakanties hier had ik op straat al meer Nederlands geleerd dan hij in al die tijd. Al gauw deed ik de hele boekhouding voor mijn vaders café en pension, en tolkte ik in het ziekenhuis of bij de vreemdelingenpolitie voor mijn ouders en veel andere Turken. Want we moesten er voor elkaar zijn, alles moest binnen “de familie” blijven. De lol ging er toen al snel van af. Zeker omdat ik daarnaast moest meehelpen thuis, en moest oppassen op de kleintjes.

In mijn puberteit werd ik kwaad en opstandig. Ik kon mijn ouders op geen enkele manier serieus nemen, ik vond ze ook een beetje stom – waarom regelden ze hun eigen zaken niet? Het voelde alsof ik geen ouders had.

Door een toevallige ontmoeting met een onafhankelijke Turkse vrouw besloot ik niet te worden zoals mijn ouders. Ik brak met thuis en vertrok naar Amsterdam. Ik stopte mijn woede daar in het radicale actiewezen en leefde me uit op de filmacademie. Ook haalde ik mijn zusje thuis weg, omdat ik wilde dat ze kansen kreeg. Ik werd mijn zusjes ouder.

Mijn zelfstandigheid heeft me als filmmaakster ver gebracht, maar in relaties wat minder. Tijdens therapie bleek dat ik als de dood ben om mijn onafhankelijkheid te verliezen: ik houd moeite om me wezenlijk aan een partner te binden. Verder gaat het mij en vooral ook mijn zus heel goed. Daar ben ik trots op.’

Als je ouders meer nemen dan geven

‘We kennen allemaal wel een volwassene die als kind voortdurend moest zorgen voor zijn ouders,’ zegt psychotherapeut Wim van Mulligen. ‘Omdat de moeder chronisch depressief op bed lag bijvoorbeeld, of omdat de vader aan de alcohol was. Zo’n kind – meestal het oudste meisje – moest een taak vervullen die veel te zwaar was voor zijn leeftijd.’

Een moderne variant hiervan ziet Van Mulligen bij eenoudergezinnen waar het kind de vertrouweling wordt van de volwassene. Zo’n kind voegt zich naar de ouder omdat het wordt gedreven door een oeverloze loyaliteit. Het weet niet beter.

Kinderen zijn van nature loyaal aan hun ouders, stelt de bekende Hongaars-Amerikaanse psychiater Iván Böszörményi-Nagy. Die loyaliteit is enorm groot. Dat komt doordat een kind existentieel verbonden is aan zijn ouders – hij heeft ze nodig om te overleven. Hoe slecht je ouders je ook behandelen en hoezeer je ze ook verafschuwt, je blijft je best doen om aan de verwachtingen te voldoen, je blijft ernaar verlangen dat ze trots en tevreden zijn.

Böszörményi-Nagy leert ons dat het evenwicht van geven en nemen tussen generaties heel belangrijk is, vertelt Wim van Mulligen. Zeker binnen gezinnen. In eerste instantie geven ouders veel meer aan hun kinderen dan andersom: ze dragen alle verantwoordelijkheid en stoppen tijd, geld en energie in de verzorging van hun kinderen. Een kind betaalt zijn ouders terug op zijn eigen manier – het doet zijn best om een goed rapport mee naar huis te kunnen nemen, het troost zijn moeder als ze verdrietig is, of maakt een tekening.

Door al die ‘giften’ van je kind te zien en te benoemen, zorg je er als ouder voor dat het groeit en zelfvertrouwen krijgt. En door paal en perk te stellen aan dat helpen – ‘wat heb je me goed geholpen, ga nu maar even lekker spelen’ – leer je een kind wat grenzen zijn, waardoor het leert voor zichzelf op te komen. ‘In die zin is het heel gezond voor een kind om zijn ouder te helpen,’ zegt Van Mulligen.

Maar soms wordt die natuurlijke loyaliteit overbelast. Het kind krijgt een rol toebedeeld die niet past bij zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Het laat zijn gezonde ontwikkeling in de steek, omdat het eigenlijk altijd voorrang geeft aan het ‘helpen’. Zo blijft er voor het kind geen groeiruimte over. Dat wordt parentificatie genoemd.

Ongezonde parentificatie kan zich volgens Van Mulligen voordoen in allerlei gedaanten. Een vorm die hij de laatste jaren krachtig ziet opkomen, is de partnerparentificatie. Moeders die na een echtscheiding hun kind bij zich in bed laten slapen, vaders die emotionele of financiële problemen met hun kind bespreken.

Ook in allochtone gezinnen zie je geregeld parentificatie, als de kinderen een brug moeten slaan tussen hun ouders en de samenleving. Dat is gezien hun leeftijd een veel te zware opdracht, die hen belemmert onbekommerd kind te zijn en zelf iemand te worden.

Een andere verschijningsvorm is volgens Van Mulligen die van het perfecte kind, dat probeert in alles zo goed mogelijk te zijn. Dit gedrag is meestal een reactie op spanningen in het gezin. Zo’n kind ‘helpt’ zijn ouders door geen extra last te veroorzaken en perfect te zijn. Omdat de ouders dit gedrag door hun eigen sores niet herkennen, krijgt zo’n kind niet de erkenning die het nodig heeft. Daardoor legt het de lat nog hoger. Alles om maar gezien te worden.

Maar hoe loyaal een kind ook is, als het lange tijd veel geeft maar weinig terugkrijgt, zal het toch het gevoel krijgen dat het niet eerlijk behandeld wordt. Onvrede of sluimerende depressiviteit kan het gevolg zijn. Vaak zie je dat het, bewust of onbewust, de neiging heeft om zijn ‘recht’ terug te halen bij de volgende generatie – bij de eigen kinderen.

‘Maar daarin heb je tegenwoordig een keus,’ zegt psychotherapeut Van Mulligen. ‘We weten nu hoe het werkt, je kunt er nu alert op zijn. “Ga ik dit overdragen op mijn kind of niet?” – Dáár ligt de grote uitdaging. Voor álle ouders, eigenlijk. Om het “geven” van je eigen kind te herkennen en te benoemen.’[/wpgpremiumcontent]

auteur

Nan Rosens

Nan Rosens is documentairemaker en journalist.

» profiel van Nan Rosens

Dit vind je misschien ook interessant

Artikel

‘Ik wil je nooit meer zien’

‘Afgewezen worden door je eigen volwassen kind is de ergste afwijzing die een mens kan overkomen...
Lees verder
Artikel

‘Ik wil je nooit meer zien’

‘Afgewezen worden door je eigen volwassen kind is de ergste afwijzing die een mens kan overkomen...
Lees verder
Branded content

Hechting: hoe geef je je kind een stevige basis?

Opgroeien in een veilige en liefdevolle omgeving is belangrijk voor een kind. Het zorgt ervoor dat j...
Lees verder
Branded content

Hechting: hoe geef je je kind een stevige basis?

Opgroeien in een veilige en liefdevolle omgeving is belangrijk voor een kind. Het zorgt ervoor dat j...
Lees verder
Advies

Eindelijk heb ik tijd – maar ik kom tot niks

Sinds het begin van de coronacrisis ben ik thuis. Eindelijk heb ik tijd om iets nieuws te doen of te...
Lees verder
Advies

Eindelijk heb ik tijd – maar ik kom tot niks

Sinds het begin van de coronacrisis ben ik thuis. Eindelijk heb ik tijd om iets nieuws te doen of te...
Lees verder
Artikel

‘Bij elk vlekje denk ik: kanker’

Al is ze gezond van lijf en leden, Isabel (35) voelt zich dagelijks belaagd door ernstige ziektes. A...
Lees verder
Artikel

Perfecte moeders, perfecte kinderen? Valkuilen van modern ou...

Ze rennen van zwemles naar ballet, helpen hun kinderen met knutselen, lezen en huiswerk en zetten el...
Lees verder
Kort

Samen rekenen zet zoden aan de dijk

Kinderen profiteren ervan als hun ouders thuis rekensommen met hen oefenen – júíst als hun ouder...
Lees verder
Artikel

‘Ik doe het beter dan mijn moeder’

We willen allemaal dat onze kinderen een leukere jeugd krijgen dan wij vroeger zelf hadden. Waarom h...
Lees verder
Training

Positief opvoeden voor puberouders

Maak het thuis leuker en makkelijker. Samen op een goede manier de puberteit door met onze nieuwste ...
Lees verder
Artikel

Opvoedstijlen – de laissez-faire opvoedingsstijl

De weg naar beter ouderschap begint met zelfonderzoek. De Amerikaanse relatietherapeut John Gottman ...
Lees verder
6107