Wie ben je?

‘Een schrijver. Ik schrijf omdat ik dat het beste kan, en omdat ik het ’t allerleukste vind om te doen. Ik doe bijna niets wat niet op de een of andere manier te maken heeft met schrijven. Ik kan goed observeren, goed kijken. Mijn favoriete tijdverdrijf is op een terras zitten en naar flanerende mensen kijken. En dan ben ik het liefst niet alleen, maar samen met iemand anders, met wie ik dan praat over degene die voorbij komt: “Wat zou-ie doen? Waar zou-ie heen gaan? Hoeveel verdient-ie? Heeft-ie net geneukt?— Ik wil er ook bij zijn als er dingen gebeuren. Ik ben zo iemand die graag achter de brand aan gaat. Als ik een brandweerwagen voorbij hoor komen, ben ik altijd geneigd om naar de hoek van de straat te lopen om te kijken waar hij heen gaat. En als-ie in de buurt stopt, hol ik er achteraan. Dat is een soort nieuwsgierigheid, misschien wel een zucht naar sensatie en actie. Maar het is moeilijk te bepalen of dat een karaktertrek is, of dat ik die dingen doe omdat ze nodig zijn voor mijn werk. Mijn werk en mijn persoon zijn zo langzamerhand erg met elkaar

vervlochten geraakt.

Als iemand die iedere dag een stukje in de krant schrijft, hoor ik erbij, maar tegelijkertijd blijf ik ook op afstand. Dat “erbij horen en er niet bij horen— heeft met mijn jeugd te maken. Mijn vader was handelsreiziger in zeep, we verhuisden veel. Net als ik ergens vriendjes had gemaakt, vertrokken we weer. Daarbij kwam nog eens dat ik heel verlegen en onhandig was, dus dat hielp ook niet mee. Ik benijd mensen die geworteld zijn, geaard, een ouderlijk huis hebben waar ze zijn opgegroeid en waar hun ouders nu nog wonen. Pas later in mijn leven ben ik als schrijver de rol van buitenstaander gaan cultiveren en er de lol van gaan inzien, maar dat gevoel van vroeger zit nog steeds heel diep. Ik kan bijvoorbeeld uitgenodigd worden voor het Boekenbal, niet gaan, en dan toch de hele avond denken: “Godverdomme, ik ben er niet bij!— Maar soms ga ik er ook wel naartoe, hoor. En dan bevalt het ook prima, want ik kan reuzegezellig zijn.

Ik besta uiteindelijk vooral in het werk dat ik doe, in het beeld dat ik oproep. Verder heb ik niet zoveel te zeggen over mezelf. Als ik ’s avonds in mijn bedje lig en over mezelf nadenk, gaat er weinig door me heen. Ik beschouw mezelf meer als iemand die bestaat in interactie. Ik hou van mensen, van contact, van communicatie, van schrijven en lezen en gelezen worden. Helemaal alleen vind ik mezelf niet interessant. Je hebt mensen die, als ze in grote eenzaamheid op een heuvel gaan zitten, tot spectaculaire inzichten komen, en soms ook tot grote daden, of interessante boeken, of schitterende gedichten. Maar als ik alleen op een heuvel zit, gebeurt er niets.’

Waar geloof je in?

‘Dat het ijs waarop we lopen flinterdun is. Je kunt nog zo geslaagd en succesvol zijn, je kunt er ieder moment doorheen zakken. Ongeluk en ellende liggen altijd op de loer. Daar heb ik een groot gevoel voor. Ik kan erg met mensen meeleven. Ik kan mij in mensen verplaatsen, met ze meevoelen, mijn oordeel opschorten. Het is niet zo dat ik gespecialiseerd ben in mislukte levens, maar ik heb daar wel een warm hart voor. Dat is een beetje rock-’n-roll. Herman Brood had dat ook.

Ik hou van zwervers en hoeren en verschoppelingen en patiënten. Ik word ook altijd door dat soort mensen aangesproken. Succes is natuurlijk een saai verhaal; op een gegeven moment moet je altijd zeggen: “En ze leefden nog lang en gelukkig.— Niet voor niks kom je in de wereldliteratuur meer mislukte levens tegen dan gelukkige echtparen op woonerven. Falen is altijd interessanter. Tragiek levert betere verhalen op, en de mensen lezen dat ook liever; daar heb je ernstig rekening mee te houden als schrijver. Maar het heeft ongetwijfeld ook met mijn eigen angst te maken. Je kunt zomaar uit de mode zijn. Of ontslagen worden. Of je vrouw kan tegen een boom rijden. Of je kunt zelf tegen een boom rijden. Shit happens. Daar ben ik mij altijd van bewust geweest. Ik heb zelf ook diverse stadia van mislukking meegemaakt. Ik heb vaak aan mislukte boeken gewerkt, heb ook wel mislukte boeken gepubliceerd, en hele periodes van drugs- en drankverslaving gehad.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Heel lang heb ik mij verzet, tegen opgroeien in het algemeen en tegen volwassen worden in het bijzonder. Ik wilde geen verantwoording dragen. Ik wist wel dat ik verantwoordelijkheden had, maar ik dacht dat je die wel kon combineren met cowboylaarzen, ouwe auto’s, lang haar en cocaïnegebruik. Je ziet het in de rock-’n-roll heel erg: een soort weigering om op te groeien. Je wilt voor altijd in een soort beschermde wereld blijven, in een illusie leven, maar tegelijkertijd ook weer niet.’

Wat was een keerpunt?

‘Ik heb twee keerpunten gehad. Mijn eerste grote keerpunt was acht jaar geleden, vlak voordat ik met mijn dagelijkse column in de krant begon. Ik ben toen radicaal met drugs en drinken gestopt. Dat kwam door mijn vrouw. Ze flikkerde mij gewoon het huis uit. We hadden twee jonge dochtertjes, net een huis gekocht. De logistieke nachtmerrie die op de loer lag, was zo gigantisch dat ik dacht: nu moet ik echt iets gaan veranderen. Ik merkte toen hoe goed ik kon zijn als ik het rustig aan deed. Alle goede dingen kwamen samen: ik werd gevraagd om die dagelijkse column te schrijven, ik bleek dat te kunnen, mensen vonden het leuk om mij te lezen, en ik vond het leuk om te doen. Ik kreeg verplichtingen die ik moest nakomen. Dat werkt bij mij, ik krijg daar een goed humeur van. Ik heb het daarna zes jaar volgehouden om van de drank af te blijven. Totdat ik kanker kreeg. Dat was het tweede keerpunt. Ik had zo ontzettend de pest aan die chemo’s dat ik helemaal niet meer kon ontspannen. Ik dacht: ik ga maar weer wijn drinken. Dat hielp eigenlijk niet, maar goed, nou drink ik dus weer wijn. Met dat verschil dat ik nu niet meer dronken word. Dat is wel een voordeel ten opzichte van vroeger: ik ken mezelf, ik weet dingen van mezelf, ik trap er niet nog een keer in.

Van die ziekte heb ik veel geleerd. Vooral dat je overal de zonnige kant van moet inzien. Het leven is wel zwaar, maar dat is ook weer geen probleem. Het is gewoon zo. Het is al een hele kunst om een uur in balans te zijn. In dat uur schrijf ik mijn stukje voor de krant. Daarna ben ik weer in paniek. Of in de greep van merkwaardige verlangens. Of moe. Eigenlijk ben ik dus heel somber en fatalistisch, maar ik vind toch dat je de morele plicht hebt om strijdbaar en optimistisch te zijn, om de dag met een goed humeur te beginnen. Ik vond het bijvoorbeeld niet vervelend om in het ziekenhuis te liggen. Eigenlijk wel gezellig! Er gebeuren daar veel gekke dingen. Je komt er gekke mensen tegen. Wat ook wel hielp, was dat ik daar op handen werd gedragen, als bekende Amsterdammer. Ik word graag verwend; dat is iets wat ik heb overgehouden aan mijn jeugd. Ik was zo’n jongetje dat altijd alles kreeg. Mijn moeder kon nooit nee zeggen, en mijn vader bracht allerlei cadeautjes voor me mee omdat-ie zo vaak van huis weg was.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Eigenlijk niks. Als je zo ziek bent geweest als ik, ga je een beetje nadenken over de zin van het leven. Je ziet dan meer de betrekkelijkheid der dingen. Ik ben er milder van geworden. Ook wel rustiger, in zekere zin. Ik ben me gaan realiseren dat het leven draait om verzoening: verzoening met het verloop der dagen. Alles komt en gaat. Als je goed in de dagen hangt, als je goed in je vel zit, kun je het leven accepteren zoals het is. Dan waardeer je de ochtendzon, of een regenbui, of het elfuurjournaal. Je verspilt altijd zoveel energie met verzet tegen dingen die niet gaan zoals jij wilt. Het is bar en boos out there, ik weet het, maar ongeluk kun je toch niet vermijden. Dus moet je het gewoon maar beleven. Je moet dobberen. Gewoon: erin meegaan. Niet te veel bezwaren opwerpen. Dat is ook de diepere laag van mijn column: ik wil de lezers verzoenen met het leven. Ik ben een handelaar in troost, net als mijn vader die met zeep bij de mensen kwam. Wij wassen zwarte zielen wit.

Natuurlijk zeg ik dit nu allemaal heel mooi, en ik kan het ook best goed opschrijven, soms, maar ik blijf toch altijd de neiging houden om me te verzetten. Het knaagt snel bij mij: “Ik ben nu wel hier, maar ik wil eigenlijk daarnaartoe, en nog daarnaartoe, en ook nog daarnaartoe.— Voor mij is er altijd iets anders, het geluk ligt elders, altijd om de hoek. Dat verzet is vermoeiend, maar tegelijkertijd positief: het geeft ook weer een drive.

De heilige Franciscus heeft eens gezegd: “Wie niets wil, heeft alles.— Dat is een diepe wijsheid waar ik heilig in geloof, ook al is-ie onmogelijk in de praktijk te brengen. Als mens ben je toch hebberig, zeker als je genoeg geld hebt. Ik wil altijd heel graag dingen hebben. Kleren, boeken, muziek: ik heb er in mijn leven al onvoorstelbaar veel geld aan uitgegeven. Dat is ook verslaving. Ik ken alle vormen van verslaving. Of het nou drugs, drank, gokken, kopen of de hengelsport is. Dat komt… van nature ben ik ontevreden. Naar mijn smaak mankeert er altijd iets aan, het is nooit genoeg. Dat is mijn thema: Het Tekort. In het leven schíét je tekort en kóm je tekort. Graag zou ik veel minder nodig hebben. Die staat van Zijn associeer ik altijd met wonen op het platteland: niks nodig hebben en helemaal in tune zijn met de dingen om je heen, met het weer, met de seizoenen. Maar het is natuurlijk een illusie dat als ik buiten zou wonen, ik ineens wél tevreden zou zijn.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Nederigheid, het meest van alles. Van mijn vrouw hoor ik de meest verrassende dingen over mezelf, zowel negatief als positief. Buiten de deur kun je nog zo gevierd zijn, thuis kan dat heel anders liggen. Andersom kun je buiten de deur nog zo vernederd worden, en thuis op handen worden gedragen. Kom ik thuis, zegt ze: “Godverdomme, je zit de hele dag praatjes te maken met iedereen, hoogstwaarschijnlijk vooral met leuke vrouwen, en dan kom je thuis en doe je geen mond open!— Tja, voor mij is praten werken, thuis hoef ik dan even niks te zeggen.

Maar goed, als je niet nederig bent, loop je erg het risico dat je je gaat concentreren op dingen die er niet toe doen. Voor je het weet, besteed je te veel tijd aan het bezoeken van de verkeerde feesten. Je moet niet naast je schoenen gaan lopen, je plaats kennen in het geheel der dingen. Als je een boek schrijft waarvan 100.000 exemplaren worden verkocht, zijn er altijd nog 15,9 miljoen Nederlanders die er niet van gehoord hebben.

En over de liefde? Daar moet je verder niet zoveel over zeggen. Het is zo mysterieus dat je er maar beter niet over kunt nadenken, en je moet het zeker niet proberen te definiëren. Mijn leven draait trouwens ook niet om de liefde. Naast mijn werk telt verder eigenlijk niks. Natuurlijk, je kunt als mens niet zonder liefde, maar het is niet genoeg.

Het enige wat ik kan zeggen, is dat je voorzichtig moet zijn met de liefde. Juist omdat je er niks voor kunt doen; liefde ís er gewoon. Dus wees er zuinig op.’ n

Eind mei verschijnt Martin Brils nieuwe boek, De dag van de nieuwe haring. Prometheus, € 8,90[/wpgpremiumcontent]