Liefkozend buigt u zich over het pas­geboren wurm van de buren. Alleraardigste mensen, die u hoog hebt zitten en een warm hart toedraagt. In een flits is de gedachte daar. Hoe u het weerloze kind de keel dichtknijpt. U wilt het beslist niet, maar de scène dringt zich full colour en compleet met ontredderde ouders aan u op.

TEST
Doe de test »

Hoe sterk zijn je dwanggedachten?

Of u staat op het station. In de verte nadert met hoge snelheid een intercity. Onwillekeurig ziet u zichzelf naar de rand van het perron lopen en over de rand storten – als u nú springt, kan de machinist met geen mogelijkheid meer stoppen. De gedachte aan het bloedbad vervult u met afschuw. U bent dik tevreden met uw leven. Maar een duiveltje roept: ‘Kom op, doe het dan, doe het dan!’

Intrustieve gedachten

Ieder mens denkt nu en dan dingen die hij eigenlijk niet wil denken. Zulke intrusies zijn vol­komen normaal, ook wanneer ze ons de rillingen over de rug doen lopen. Volgens Fred Sterk en Sjoerd Swaen, auteurs van het boekje Leven met een dwangstoornis, vormen ze een evolutionair waarschuwingssysteem, bedoeld om ons voor onachtzaamheid en stommiteiten te behoeden. De intrusie herinnert ons eraan dat bepaalde handelingen afschuwelijke fysieke of sociale consequenties kunnen hebben.

Wie bij een naderende trein als het ware naar de rails toe wordt getrokken, zal eerder een paar stappen achteruit doen, en ook niet makkelijk over de rails naar een ander perron rennen. Wie zichzelf op kraam­bezoek een baby ziet wurgen, wordt nog even gewezen op de kwetsbaarheid van zuigelingen. Ongemakkelijk – als het om overleven gaat, is het brein weinig fijnzinnig – maar functioneel.

Verboden gedachtes krijgen een diepere betekenis

Iemand zonder dwangneiging schenkt nauwelijks aandacht aan zijn intrusies. Hij verbaast zich even over de bizarre gedachte aan seks met zijn schoonmoeder, wuift die weg en gaat over tot de orde van de dag. Zijn gedachten zijn van hem, niemand kan ze lezen en ze hebben geen consequenties. Anders wordt het als je aan dit soort ‘verboden gedachten’ een diepere betekenis gaat toekennen.

Swaen en Sterk beschrijven een patiënte die zo bang was om op straat iemand onder een bus te duwen, dat ze alleen nog met een ‘veiligheidspersoon’ de stad in durfde. En een man die zware sloten op de besteklade aanbracht uit vrees anders ’s nachts zijn vrouw dood te steken. Weer anderen trappen in de val van het magisch denken: ‘Als ik aan kanker denk terwijl ik met mijn moeder telefoneer, zal zij de ziekte krijgen.’

Je kunt niet expres niet aan iets denken

Mensen die zich laten intimideren door een intrusie, zullen daarom uit alle macht proberen om haar weg te drukken. Dat is paradoxaal genoeg de beste manier om een onschuldige dwanggedachte om te zetten in een belemmerende obsessie. Je kunt namelijk niet expres niet aan iets denken.

In een beroemd geworden experiment gaf de Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner proefpersonen de opdracht om vijf minuten lang niet aan een witte beer te denken. Iedereen deed verwoed zijn best om aan andere dingen te denken, maar in alle hoofden renden voortdurend óók witte ­beren door het beeld. Voor de zekerheid toonde Wegner aan dat roze olifanten, rode kevers en groene konijnen net zo opdringerig zijn – dat wil zeggen, als ze niet mogen.

Training

Goed zoals je bent

  • Leer jezelf accepteren
  • Omarm je imperfecties
  • Met boek van Brené Brown
bekijk de training
Nu maar
€ 95,-

Het averechtse effect van onderdrukking van gedachtes

Het averechtse effect van gedachte­onderdrukking bleek ook nog eens duurzaam. Weken na het experiment werden de proefpersonen nog steeds bezocht door beren en andere ‘verboden’ dieren, en bij herhaling van de proef hadden ze zelfs nog meer moeite om de ongewenste gedachte te weren.

‘Als het onderdrukken van een flauwekul­gedachte al leidt tot versterking ervan, dan moet het onderdrukken van beladen gedachten helemaal een averechts effect hebben,’ redeneert experimenteel psycholoog Eric Rassin van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

In zijn promotieonderzoek naar gedachteonderdrukking, uitgevoerd aan de Universiteit van Maastricht, gaf Rassin twee groepen proefpersonen de opdracht om niet aan een appel te denken. Hij maakte ze wijs dat elke gedachte aan een appel werd geregistreerd. Eén groep werd bovendien verteld dat de computer op eventuele appel­gedachten zou reageren door iemand in een ­andere kamer een forse stroomstoot toe te dienen.

Deze mensen waren dus extra gemotiveerd om appels uit hun gedachten te bannen. In lijn met Rassins veronderstelling werden zij gedurende het experiment helemaal gek van de appels. De verboden vruchten drongen zich nog aanzienlijk agressiever op dan bij de proefpersonen voor wie de gedachte geen consequenties had.

OCS heeft een erfelijke component

Maar als iedereen zichzelf nu en dan iets vreselijks ‘ziet’ doen, hoe komt het dan dat we niet allemaal problematisch aan het verdringen slaan? Volgens Lee Baer, hoogleraar psychologie aan Harvard Medical School en auteur van het boek Alles onder controle, is een werkelijk uit de hand lopende intrusie – zoals bij de vrouw die dacht iemand onder een bus te zullen duwen – een vorm van obsessieve-compulsieve stoornis (OCS).

Mensen die hieraan lijden, gaan meestal ook rituelen ontwikkelen om hun intrusies te ‘bezweren’. OCS heeft een sterk erfelijke component, aldus Baer. ‘Alleen als er sprake is van genetische aanleg, kan een intrusie uitgroeien tot een obsessie. Omgevingsfactoren kunnen het probleem natuurlijk wel uitlokken of versterken. We weten dat mensen die als kind iets heel ergs hebben meegemaakt, of die een overdreven verantwoordelijkheidsgevoel is bijgebracht, een verhoogd risico op dwangneuroses hebben.

Ook een omgeving met veel taboes is niet bepaald gunstig. Intrusieve obsessies, bijvoorbeeld over seks met Jezus, komen vaker voor in religieuze kringen. Maar het is in de eerste plaats een fysiologische en biochemische kwestie.’

Niemand weet waar de grens tussen een ‘gewone’ intrusie en een obsessie precies ligt. ‘Maar als je eenmaal geobsedeerd bent door een ongewenste gedachte, is het vrijwel onmogelijk om er op eigen houtje van af te komen,’ meent experimenteel psycholoog Eric Rassin. ‘De meesten hebben hulp nodig van een cognitief therapeut. Iemand die je ervan overtuigt dat je niet bént wat je dénkt, en dat het jouw inter­pretatie is die je gedachten tot dwanggedachten maakt. Pas als je dat grondig beseft, verdwijnt de neurotische spanning die de intrusie oproept.’

Dwanggedachten komen voort uit angst

‘Gewone’ ongewenste gedachten kunnen natuurlijk ook knap hinderlijk zijn. Een lezeres schreef in een brief aan dit blad: ‘Ik kijk naar ons lieve huisdier en denk ineens: ik zou hem nu gemakkelijk dood kunnen maken. Wat zouden wij daardoor veel verdriet hebben. Of ik zie mijn lieve, kleine buurmeisje en bedenk hoe erg het zou zijn als ze zou worden doodgereden. Ik zou het absoluut niet willen, ik raak er niet opgewonden van, het schiet me gewoon te binnen. Ik schaam me diep voor zulke stomme gedachten en durf ze aan niemand te vertellen.’

Deskundigen zijn het eens over de oorzaak van dit soort intrusies: onzekerheids­intolerantie. Niet zelden komen nare dwang­gedachten voort uit de angst om een gelukkige omstandigheid of iets wat je erg dierbaar is te verliezen. Dat weet de briefschrijfster ook. ‘Ik denk vooral vreselijke dingen tijdens gelukkige momenten. Dat het geluk dat me is overkomen, zomaar kan worden weggevaagd, en dat ik het bovendien zélf kapot kan maken, dat vind ik onverdraaglijk.’

Maar als intrusies een waarschuwings­systeem vormen, en voortkomen uit onze bezorgd­heid en ons verantwoordelijkheidsgevoel, dan hoeven we ons er helemaal niet voor te schamen. Integendeel. Misschien mogen we zelfs wel dankbaar zijn voor die kwade gedachten.[/wpgpremiumcontent]