‘Mijn online vrienden zijn net zo belangrijk als mijn offline vrienden’

Lisette Roovers (28) werkt bij een IT-consultancybureau. Via World of Warcraft vond ze hechte contacten.

‘Op mijn 15de ontmoette ik Ibelin online. We speelden allebei World of Warcraft, een rollenspel in gamevorm. Ik wist dat hij even oud was als ik, in het echt Mats heette, in Noorwegen woonde en schrijver wilde worden. We spraken elkaar bijna elke dag. Via hem kwam ik na een tijdje bij Starlight; een groep van zo’n veertig mensen die samen het spel spelen. Het werd mijn online vriendengroep. In de game doet het er niet toe hoe oud je bent of hoe je eruitziet. Het enige dat telt, is of je aardig bent. Samen creëer je al chattend verhalen. Mijn ouders noemden het contact weleens nep, maar mijn online vrienden zijn net zo belangrijk als mijn offline vrienden.

Gamen tegen trauma’s

Het computerspelletje Tetris kan een trauma voorkomen. Dat klinkt misschien ongeloofwaardig, maar on...

Lees verder

Zes jaar geleden organiseerde een van de leden van Starlight een ontmoeting in Denemarken. Na een paar minuten was het ijs al gebroken en werd het ontzettend gezellig. Wel vond ik het jammer dat Mats er niet was. Hij kon niet, had hij gezegd, en korte tijd later werd duidelijk waarom. Mats vertelde ons dat hij een dodelijke ziekte had en niet lang meer zou leven. Dat was een schok voor iedereen.

Toen hij een jaar later overleed, postte zijn vader daarover op zijn blog. Ik heb hem gemaild en samen met vier andere leden van Starlight zijn we naar de begrafenis gegaan. Voor mij was dat logisch: ik kende Mats al zo lang en wilde mijn medeleven betonen. Zijn ouders waren diep onder de indruk van de verhalen die we vertelden over Mats. Ze dachten dat hun zoon nooit vriendschap had gekend en zagen pas op zijn uitvaart dat hij online echte vrienden had gehad.
Mats’ dood heeft ons als groep nog dichter bij elkaar gebracht, ook al wonen we verspreid door heel Europa. Nog elke dag ben ik dankbaar dat ik deze mensen via een game heb leren kennen.’

‘Door mijn reactievermogen heb ik drie kinderen gered’

Eerstejaarsstudent journalistiek Marvin Smulders (21) is trots op het reactievermogen dat hij dankzij het gamen heeft ontwikkeld.

‘Het jongetje gleed van de glijbaan, kwam raar terecht en ging meteen kopje onder. Ik sprong over de reling en had hem binnen een paar seconden op de kant. In de paar weken dat ik vorig jaar als badmeester werkte in een waterpark heb ik drie kinderen kunnen redden. Vaak was ik er als eerste bij – volgens mij dankzij het gamen. Tijdens schietspellen leer je keuzes maken en strategieën bedenken. Je moet het hele speelveld in de gaten houden en zorgen dat je snel reageert. Die ervaring kwam me in het waterpark goed van pas.

Op school raakte ik bevriend met een stuk of vier jongens die ook allemaal het oorlogsspel Call of Duty speelden. Dat schiep een band. We leerden elkaar kennen door het gamen, maar gingen ook samen naar de bioscoop of voetbal kijken. Soms namen we onze computers allemaal mee naar één adres en gingen we de hele nacht door. Call of Duty is een gewelddadig spel, maar feit en fictie zijn prima van elkaar te onderscheiden. Al ben ik helemaal niet gewelddadig, ik vind het wel leuk om in zo’n game even de oorlogsheld te zijn.

Dagelijks zat ik zo’n zes uur achter het scherm. Mijn ouders hebben weleens geroepen dat ik verslaafd was. Toch hebben ze nooit mijn schermtijd beperkt omdat ik goede cijfers bleef halen, nooit schulden maakte en op voetbal en toneel zat. Gamen is volgens mij pas zorgelijk als je daardoor je school niet haalt of niet functioneert op je werk. Ik kende vroeger een jongen die altijd moe was omdat hij dagelijks meer dan zeven uur speelde. Dat lijkt me niet gezond.
Inmiddels game ik iets minder, maar nog altijd vier uur per dag. Het is voor mij ontspanning, na een drukke dag werken of school. Als ik game, kom ik tot rust. Ik vind het niet anders dan een boek lezen. En tegen iemand die veel leest, zeg je toch ook niet dat hij verslaafd is?’

‘We moeten gamen niet overproblematiseren’

Lees verder

Als ik kwaad ben over mijn ziekte, knal ik alles overhoop

Bea van den Bogaart (51) zit door een spieraandoening in de WAO. Gamen helpt tegen de frustratie, maar is ook goed voor haar lijf en brein.

‘Soms heb ik plannen om naar buiten te gaan en werkt mijn lichaam niet mee. Daar kan ik zo kwaad van worden. Dan zet ik een schietspel op en knal ik alles en iedereen overhoop. Daarna ben ik mijn agressie kwijt en kan ik weer ontspannen. Door musculaire dystonie is de spierspanning in mijn lijf vaak te hoog, waardoor ik verkramp. Als ik op tijd rust, kan ik dat voorkomen, maar ik vind het vreselijk om niks te doen. Een potje gamen werkt dan perfect.

Ik vind het leuk om uit te zoeken hoe iets werkt. Als kind kocht ik een autootje en voor we thuis waren, had ik hem uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet. Dat puzzelen trekt me ook aan in het gamen. Sinds internet betaalbaar is, speel ik online. Het laatste jaar vooral op Utomik: een soort Netflix voor gamers. Ik doe alles door elkaar: van kaartspelletjes tot avonturenspellen waar je in een virtuele wereld puzzels moet oplossen. Vroeger haalde ik weleens nachten door, dan was ik de volgende dag gesloopt. Dat wil ik niet meer. Sinds een paar jaar geef ik mezelf daarom schermtijd: niet meer dan drie, vier uur per dag. Ook omdat ik een hond heb die naar buiten moet, ik vrijwilligerswerk doe en mijn vriend natuurlijk ook weleens aandacht wil. Al zit hij net zo graag achter een scherm als ik, maar dan om muziek te verzamelen.

Van beroep ben ik dataspecialist, maar doordat ik dat door mijn ziekte niet meer kan doen, word ik op intellectueel gebied minder uitgedaagd dan vroeger. Met puzzelspellen train ik toch mijn hersenen en dankzij schietspellen blijft mijn reactievermogen goed. Dat ik met mijn ziekte nu redelijk kan leven, dank ik aan de wandelingen met mijn hond en aan het gamen. Zo blijf ik lichamelijk én geestelijk in beweging.’

‘Ik heb altijd nieuwe uitdagingen nodig’

Maresa Jacobse (32) heeft ADHD en is zelfstandig marketeer, vertaler, tekstschrijver en kinderboekenschrijver.

‘Op vakantie kwam er een jongetje van een jaar of 8 naar me toe. Hij had gezien dat ik Super Mario Odyssey zat te spelen op mijn Nintendo Switch en was zelf al weken bezig met een bepaald level. Of ik hem wilde uitleggen hoe ik het gehaald had. Vervolgens hebben we de hele middag samen zitten gamen. Het leeftijdsverschil maakte niets meer uit.

Zelf was ik verkocht toen mijn vader een computer mee naar huis nam. Ik was 5 en probeerde alle spellen uit. Eerst op diskette, toen op cd-rom en later online. Ik heb ADHD – dat wist ik toen nog niet – en ben altijd op zoek naar een nieuwe uitdaging. Die vind ik in het spelen van games waarin ik creatief moet zijn. Zoals Fortnite, waarin je met veertig man moet zien te overleven op een eiland. De prikkels komen van alle kanten en ik moet hypergeconcentreerd zijn. Daar wordt mijn hoofd leeg van. Ook speel ik graag escape games zoals Forever Lost; dat zijn puzzelspellen waarbij je hints oplost om uit ruimten te ontsnappen.
Voor mij werkt een goede game hetzelfde als een boek of een film. Je stapt even in een andere wereld. Maar gamen heeft een extra dimensie, omdat je zelf invloed hebt op de afloop van het verhaal.

Hoe vaak ik speel, wisselt nogal. Sowieso doe ik elke dag Pokémon GO, waarbij je in de echte wereld virtuele Pokémons moet zoeken en vangen. Als je een week lang elke dag speelt, krijg je extra punten. Die wil ik altijd halen. Het is wel een soort verslaving, maar ik houd daarnaast genoeg tijd voor werken, lezen, hardlopen, leuke dingen doen met mijn man en dochter. Mijn echte vrienden heb ik allemaal offline, maar de meeste houden wel van gamen. Het is net als met dat jongetje op vakantie: als je een andere gamer ontmoet, heb je meteen iets om over te praten.’

‘Online wilde iedereen wél met me spelen’

Marvin Scheffer (31) is spreker en trainer op het gebied van autisme bij een stichting. Alleen in de gamewereld vond hij vriendschap en respect.

‘Als kind was ik anders. Waarom, dat wist ik zelf niet. Klasgenoten zeiden dat ik langzaam, dik en raar was. Rekenen kon ik goed en bij moeilijke sommen verbeterde ik de juf. Kinderen scholden me uit en sloegen me, maar de docenten grepen nauwelijks in. Vanaf mijn 14de begon ik met OGame en daarna Ikariam; twee spellen waarin je statistisch en tactisch slim moet zijn. Mijn rekentalent kwam daar goed van pas. Op een zeker moment was ik zelfs de beste bij Ikariam. Online wilde iedereen wél met me spelen werd er zelfs tegen me opgekeken. Dat was fantastisch. Offline ging het nog steeds slecht. Een sociaal leven opbouwen lukte niet. Ik leefde voornamelijk online en zat niet goed in mijn vel. Mijn ouders stuurden me naar een therapeut, daar kreeg ik de diagnose autisme. Dat was weliswaar een verklaring voor mijn anders-zijn, maar geen oplossing. Ik was 18 en succes in het gamen was nog steeds het enige positieve in mijn leven.

Twee jaar later ging ik onder begeleiding op kamers wonen en mocht ik gaan werken bij een stichting. Mijn collega’s ontdekten mijn kwaliteiten, waaronder mijn vaardigheden met computers, en voor het eerst kreeg ik waardering in het echte leven. Toen dacht ik: blijf ik alleen online gelukkig of ga ik proberen om offline een leven op te bouwen? Ik koos voor het laatste en ben resoluut minder gaan gamen. Ik werd actief op een website voor jongeren met en zonder beperking en daar leerde ik een meisje kennen. We werden verliefd en zijn zelfs getrouwd – dat had ik nooit durven dromen.’
Nog altijd speel ik drie, vier uur per dag, van Angry Birds tot het online kaartspelletje Yu-Gi-Oh. Mijn vrouw houdt er niet van, maar begrijpt dat het bij me hoort. Ooit was gamen het enige moment waarop ik blij was, nu is het enkel nog een manier om de sociale interactie van de dag te verwerken.’

Bronnen o.a.: I. Granic e.a., The benefits of playing video games, Radboud University Nijmegen, 2014 / J. Lemmens e.a., The internet gaming disorder scale, Psychological Assessment, 2015

[/wpgpremiumcontent]