In zo’n relatie doet het baasje vaak happy-go-lucky, vrijheid-blijheid: we zien wel. De underdog stemt daar blijmoedig mee in, in de blinde hoop dat er al doende vastigheid groeit. ‘Ik wil je niet aan het lijntje houden,’ zegt het baasje soms. Welnee, niet voor mij denken, hoor! Ik ben een grote meid/jongen, ik kan voor mezelf denken.

Maar als underdog, verliefd en dus onderhevig aan hormonale blikvernauwing, kun je helemaal niet voor jezelf denken. Je doet alles wat nodig is om het hart van de ander te winnen, inclusief zelfverraad – ‘Als ik nu even bel, kan ik het daarná met rust laten’ – ­terwijl je zogenaamd ‘bij jezelf blijft’. Zogenaamd, want ‘jezelf’ is een ingekrompen, klem zittende neuroot; geen autonome volwassene met een ruime blik en vrije keuzes. Eén keuze komt voor de verliefde dwaas sowieso niet in aanmerking: eruit stappen. Je hunkert jezelf van de ene ontmoeting naar de andere – ijsschotsje springen, noemde mijn geliefde dat – waarbij de vraag ‘Wanneer zie ik je weer?’ taboe is, een overtreding is van het motto: ik zie je als ik je zie.

Je schikt je welwillend omdat het alternatief onaanvaardbaar is: als je zou toegeven dat je meer wilt dan dit, loop je grote kans dat je eindigt met niks. Dit illustreert een interessant principe dat in onderhandelingen wordt omschreven als: least interest wins. Degene die het minst wil, die wint.

De underdog is dus totaal onderworpen. Maar dat is onaantrekkelijk, dus als underdog speel je dat je ook iets te vertellen hebt. In mijn eigen underdog-periode hoopte ik zo ook terrein te ­winnen: eens zien hoe hij het vindt als ík grenzen stel! Hij kwam bijvoorbeeld eten en ik zei: ‘Je kunt niet blijven slapen, ik moet op tijd naar bed.’ Heel onafhankelijk vond ik dat, maar tot mijn ontsteltenis antwoordde hij: ‘Was ik ook niet van plan, ik moet om tien uur weg.’

Door het least-interest-principe hebben pogingen om de overhand te krijgen vaak een averechts effect: je komt in een spiraal van steeds lagere ‘biedingen’. ‘Als jij er niet om zes uur kunt zijn, hoef je helemaal niet te komen.’ Het baasje zegt dan bijvoorbeeld: ‘Wat jammer nou, ik haal dat gewoon niet. Ander keertje dan maar?’ Wat doe je dan als opklimmende underdog? Als je inbindt – ‘Nou, kom dan maar wanneer je klaar bent. Ja hoor, ik ben de hele avond thuis’ – zak je terug omlaag en verlies je ook nog je geloofwaardigheid. Als je voet bij stuk houdt – ‘Dan niet. En weet je wat: kom maar gewoon helemaal niet meer!’ – is je ijsschotsje uit beeld.

Daarom geldt ook in de liefde, als bij elke onderhandeling: ken je doel – dus houd je eigen standaard van liefde goed voor ogen – én je ondergrens. De beste onderhandelaars zijn degenen met de hoogste ambities, maar weten ook ­wanneer ze hun verlies moeten nemen en van tafel gaan.

Binnenkort verschijnt van Roos Vonk: Liefde, lust en ellende (Scriptum, € 18,95). Voor iedereen die meer inzicht wil krijgen in dat eigenzinnige mysterie, de liefde, waarin we ­allemaal ervaringsdeskundige worden; soms onvrijwillig, maar meestal met overgave.