Belgen gaan gemakkelijker door het leven dan Nederlanders, blijkt uit ons onderzoek. Dat zeggen ze althans. Of het nu gaat om psychische problemen, relatiecrises, opvoedingsvraagstukken of conflicten op het werk: Belgen hebben er consequent minder last van dan Nederlanders. Ook zien Belgen minder psychische problemen bij mensen in hun omgeving. Neem relatieproblemen: bijna eenderde deel van de Nederlanders heeft hier mee te maken (gehad), tegen slechts eenvijfde deel van de Belgen. En Nederlanders hebben twee keer zoveel opvoedingsproblemen als Belgen.

Waarom zeggen Belgen minder psychische problemen te hebben? Wij vroegen het aan twee ervaringsdeskundigen: Johan Denollet, een Belgische psycholoog die in Nederland werkt, en Steven de Foer, een Belgische journalist die drie jaar in Nederland woonde, met als resultaat het boekje Onder Hollanders. Een Vlaming ontdekt Nederland.

Is het leven in België gemakkelijker?

Johan Denollet: ‘Ja, het is in Vlaanderen aangenamer vertoeven. Vlamingen hebben meer joie de vivre. In Nederland is er meer competitie, je moet je meer bewijzen, er zijn meer wetten en normen.’

Steven de Foer: ‘Belgen hebben een groter vermogen om van de kleine dingen van het leven te genieten. Als een Nederlander de bloemetjes buiten zet, heeft hij meteen een schuldgevoel dat hij het geld niet heeft overgemaakt naar slachtoffers van de aardbeving in Nicaragua.’

Zijn Belgen minder geneigd hun vuile was buiten te hangen?

Johan Denollet: ‘Bij Vlamingen is de schone schijn toch erg belangrijk. Wij zijn meer bekommerd om niet te falen. Dat is natuurlijk een universeel thema, maar bij Vlamingen zit het er net iets dieper in.’

Steven de Foer: ‘Een Belg is helemaal niet bang voor de mening van zijn buren, want hij kent z’n buren niet eens. Belgen zijn individualistischer. Ik heb in Wassenaar gewoond, en als mijn kinderen indiaantje aan het spelen waren, zei de buurvrouw: ‘Ik zag jouw kinderen vier blokken verder.’ Dat is in België ondenkbaar. Waar ik ben opgegroeid, wist ik niet hoe mijn buren eruit zagen.’

Zijn Nederlanders meer gepsychologiseerd, waardoor ze hun problemen eerder in psychologische termen beschrijven?

Steven de Foer: ‘De mediacultuur in Nederland bevordert psychische problemen. Hét voorbeeld is rsi, dat in Nederland een nationaal probleem is en in België quasi onbekend. De cultuur van ‘Waar sta ik met mijn psyche?’ slaat in Nederland meer aan. Nederlanders zijn bewuster bezig met zaken van de geest, ook met filosofie en religie. Belgen zijn meer down to earth. Ze halen hun schouders op en zeggen: zaterdag is het voetballen.’

Johan Denollet: ‘Burn-out, overspanning, al die mensen in de wao: ik sta er van te kijken. In Nederland wordt het meteen een issue. Er is wel een voordeel van de grotere psychologisering in Nederland: de psychologie heeft meer status, het wordt serieuzer genomen. Voor mij is het hier aangenaam werken, met meer geld en betere onderzoeksmogelijkheden.’

Vrouwen en hoogopgeleiden hebben meer problemen

Mannen hebben net zoveel psychische stoornissen als vrouwen, blijkt uit ggz-cijfers. De aard van de problemen is echter verschillend: vrouwen hebben meer te kampen met depressies en angststoornissen, mannen hebben meer problemen met alcohol en drugs. Toch zeggen de vrouwen in ons onderzoek meer psychische problemen te hebben: 27 procent van de vrouwen tegenover 14 procent van de mannen. Ook zien vrouwen meer psychische problemen bij hun naasten: 24 procent van de vrouwen tegenover 18 procent van de mannen.

Hoe kan het dat ‘objectieve’ gegevens zeggen dat vrouwen niet vaker psychische problemen hebben, terwijl vrouwen dat zelf wel zeggen? Mannen zitten gewoon stoer te doen, zou je kunnen zeggen. Ze willen hun problemen niet toegeven. Dat is mogelijk, maar het heeft waarschijnlijk ook te maken met hoe je je problemen benoemt. Vrouwen zijn sinds de jaren zestig meer ‘gepsychologiseerd’ geraakt: talloze praatgroepen, probleemrubrieken in tijdschriften, televisieprogramma’s als Rondom Tien en opvoedingsboeken hebben vrouwen geleerd te denken in het psychologische jargon. Een vervelend gevoel wordt door vrouwen dan sneller geëtiketteerd als ‘psychisch probleem’, terwijl mannen het niet als zodanig benoemen of het gewoon negeren.

Hetzelfde principe kan gelden voor het verschil tussen hoog- en laagopgeleiden. Uit ons onderzoek blijkt dat hoogopgeleiden zeggen vaker last te hebben van problemen op het gebied van relaties, werk en opvoeding. Eén op de drie hoogopgeleiden heeft te maken (gehad) met relatieproblemen, tegenover een op de zes laagopgeleiden. Van de hoogopgeleiden heeft 28 procent problemen op het werk, van de laagopgeleiden slechts 5 procent. Hoogopgeleiden zien ook vaker psychische problemen in hun omgeving: 31 procent tegenover 18 procent van de laagopgeleiden. Hoogopgeleiden zijn meer gepsychologiseerd, of ‘geproto-professionaliseerd’ zoals socioloog Abram de Swaan het noemt. Ze hebben meer toegang tot de psychologie, doordat ze er meer over lezen, er in hun studie over hebben geleerd of omdat er psychologen in hun vriendenkring zitten. De Swaan schreef in 1979 al dat hoogopgeleiden gemakkelijker terechtkomen bij de hulpverlening dan laagopgeleiden, doordat ze beter de wegen kennen en hun problemen kunnen formuleren in de terminologie die in de therapeutische beroepskring gebruikelijk is. Dat blijkt ook uit ons onderzoek: hoogopgeleiden zoeken sneller professionele hulp. Zo zegt 51 procent van hen dat ze voor hun eigen psychische problemen naar een hulpverlener zijn geweest, tegenover 27 procent van de laagopgeleiden. Door die hulpverlening raken hoogopgeleiden nog meer gepsychologiseerd, waarmee de cirkel weer rond is. Nederlandse hoogopgeleide vrouwen zijn dus het meest gepsychologiseerd.

Vrienden helpen evenveel als therapeuten

De meeste mensen praten met vrienden of familie over hun zorgen, en een op de drie mensen met een probleem zoekt hulp bij een professionele hulpverlener. ‘Wat heb je aan die hulp gehad?’, vroegen we de geënquêteerden. De meerderheid is positief: rond de tachtig procent zegt dat het redelijk veel tot zeer veel geholpen heeft. Maar nu het verrassende: de professionele hulpverlener behaalt hetzelfde resultaat als vrienden en familieleden. Met andere woorden, mensen zeggen evenveel gehad te hebben aan een gesprek met hun vriendin als met hun therapeut. Hetzelfde geldt voor negatieve uitkomsten: voor bijna tien procent heeft het niets geholpen of de problemen alleen maar erger gemaakt, of ze nou met hulpverleners spraken of met vrienden.

De psychologie is helemaal ingeburgerd

‘Zou je ooit naar een psycholoog gaan?’, vroegen we mensen die nog nooit bij een therapeut zijn geweest. De drempel blijkt laag: slechts één op de vijf mensen zou dit nooit doen, omdat ze menen het zelf wel op te kunnen lossen. Professionele hulp is helemaal ingeburgerd, zo blijkt ook uit recente cijfers van de Landelijke Commissie Geestelijke Volksgezondheid. Hoewel mensen niet méér psychische stoornissen krijgen, zoeken wel steeds meer mensen hulp bij de geestelijke gezondheidszorg (383.000 in 1980, tot ruim een miljoen in 1997).

Psychotherapeute Iki Halberstadt-Freud, die al veertig jaar in het vak zit, heeft dit aan den lijve ondervonden. Er zijn volgens haar nieuwe groepen cliënten bijgekomen. ‘Ik zie veel meer mensen met veel geld, zoals managers en consultants, die snel bediend willen worden. Het zijn nieuwe rijken die denken dat alles te koop is, ook geluk.’

Het taboe op het hebben van psychische problemen is vrijwel verdwenen, is de conclusie van het volksgezondheidsrapport. Ook de psycholoog zelf is uit zijn toren afgedaald en is menselijker geworden, zo concluderen we uit de resultaten. Hoorde een psycholoog vroeger nog regelmatig op feestjes dat mensen bang waren dat hij dwars door hen heen kon kijken, tegenwoordig heeft nog slechts één op de vier mensen zo’n magisch beeld van de psycholoog.

De groep mensen die al ervaring heeft met psychologen, geeft het meest genuanceerde beeld. Zij denken minder vaak dat een psycholoog dwars door je heen kijkt, en denken ook minder snel dat een psycholoog je alleen maar problemen aanpraat. Iki Halberstadt-Freud: ‘Psychologen zijn minder eng geworden. Er is een statusdaling opgetreden, net als bij artsen. Het hangt er wel van af wie je spreekt. In de duurdere wijken van de grote steden is iedereen in therapie, maar de laagopgeleiden hebben meer somatische klachten. Ik hoorde net nog op de televisie dat allochtonen vier keer zoveel medicijnen slikken. Als je niet over de verbale middelen beschikt om je uit te spreken, krijg je lichamelijke klachten.’

Dat de maatschappij steeds meer gepsychologiseerd raakt, ontgaat de ondervraagden niet: 71 procent merkt dat er in de media meer psychologische termen worden gebruikt dan vroeger. En dat zowel in Nederland als in België.

Mensen zijn blij met zichzelf

‘Ik ben blij met mezelf’, zegt het merendeel (84 procent) van de ondervraagden volmondig. Bijna hetzelfde percentage vindt ook dat ze over het algemeen ‘zichzelf zijn’. Psychologische kennis kan ingezet worden om meer over jezelf te weten te komen, en zelfkennis wordt tegenwoordig zeer gewaardeerd: tachtig procent van de mensen wil zichzelf leren kennen. Men denkt dan ook gelukkiger te worden van die zelfkennis. Niet zo gek, als je weet dat je op die zoektocht iemand tegenkomt waar je blij mee bent.

Slechts zeven procent zou liever iemand anders zijn. Mensen in deze groep zijn op zoek naar zelfverzekerdheid (zestien procent), schoonheid (dertien procent), mannen die een vrouw willen zijn (niet andersom!, dertien procent) en beroemdheid (zes procent). Opvallend is dat men niet per se iemand wil zijn zonder zorgen (slechts drie procent). n[/wpgpremiumcontent]