‘Wie ben jij?’, zei de Rups. Dat was geen bemoedigend begin voor een gesprek. Alice antwoordde, nogal verlegen: ‘Ik – ik weet ’t niet goed, meneer; op het moment – ik weet wie ik was toen ik vanmorgen opstond, maar daarna ben ik vast wel een paar keer veranderd.’

‘Hoe bedoel je?’, zei de Rups strak. ‘Verklaar je nader!’

‘Het spijt me, maar ik kan mijzelf niet nader verklaren, meneer’, zei Alice, ‘want ik ben mezelf niet, snapt u?’

‘Snap ik niet’, zei de Rups.*

‘Ik ben vandaag mezelf niet’, vertrouwt een collega je toe bij de koffieautomaat. ‘Ik zit niet lekker in m’n vel. Daarom reageerde ik vanochtend ook zo geprikkeld.’

‘O’, zeg je verwonderd. ‘Hoe komt dat eigenlijk?’

‘Ik heb niet lekker geslapen. Ik maak me druk om die grote opdracht die eraan zit te komen en tot overmaat van ramp heb ik thuis ook nog ruzie.’

‘Zou je niet eens wat meer tijd voor jezelf nemen?’, merk je bemoedigend op. ‘Je werkt echt veel te hard. Je moet niet steeds achter jezelf aan rennen, dat is niet goed voor je.’

Het is volstrekt duidelijk wat de uitspraak ‘Ik ben

Log in om verder te lezen.