Bovendien had ik al vaak gehoord dat door de lucht zweven bijzonder sensationeel moest zijn. Met het verjaardagscadeau was de kogel door de kerk. Na de zomervakantie zou ik de bungeejump maken.

Maar één ding wist ik zeker: als ik ga springen, wil ik me geestelijk en lichamelijk optimaal op de sprong voorbereiden. Alles erover lezen en horen: de gevaren, de spanning, de emoties, de verhalen over de procedure bij het springen, de sprongtechnieken. En ik wou conditioneel op mijn best zijn.

Gevaren waren er zeker wel, want er zijn al een paar doden gevallen bij het bungeejumpen. Maar het is duidelijk dat dit voor namelijk aan menselijke fouten was toe te schrijven. Zo had in Japan een jumper in blinde paniek een jump-assistent mee naar beneden getrokken. Of de ongelukken waren te wijten aan ondeugdelijk materiaal, maar daar hebben we hier tegenwoordig niets van te vrezen. Alles wordt professioneel aangepakt en door de overheid gecontroleerd.

Lichamelijk letsel komt, zij het sporadisch, wel voor. Als je ondersteboven hangt, kun je door de plotselinge drukverhoging op de bloedvaten van de ogen, last hebben van oogbloedinkjes. Ook loop je kans op neurologische stoornissen en botbreuken. Zo was een ervaren springer ’s nachts van een brug gejumpt waarbij hij wist dat hij kopje onder zou gaan. Hij maakte echter een inschattingsfout: omdat het donker was zag hij het water niet ‘aankomen’, raakte daardoor eerst met zijn gezicht het water en liep zo botbreuken op. Ik vond deze medische berichten echter niet alarmerend en relevant genoeg om van mijn voornemen af te zien.

Goede raad

Een en ander steunde me in mijn plan om me goed voor te bereiden. Daar had ik nog een kleine drie maanden voor. Ik ging hardlopen, zo nu en dan op mijn kop staan om mijn ogen en ook mijn hersenen – die ook die omgekeerde bloedkolom moeten kunnen weerstaan – een beetje te laten wennen en probeerde me mentaal te trainen. Ik las over de technieken die mensen gebruiken bij het springen, over de handelingen die ze verrichten, welke lichamelijke en geestelijke sensaties me te wachten stonden, hoe jumpers zich voor, tijdens en na de sprong voelen en wat ze daarbij denken.

Jeroen Otten, een ervaren bungeejumper, die in 1996 in het meinummer van Psychologie zijn ervaringen met bungeejumping beschreef, vroeg ik om informatie. Hij tipte mij: ‘Wil je de ellende en de lol uitspinnen, of wil je er snel vanaf zijn? Neem in het eerste geval de tijd, laat de adrenaline flink oplopen, blijf lang boven staan, terwijl je anderen ziet springen. Wil je er echter snel vanaf zijn, ga dan pas naar boven als je aan de beurt bent. Doe het snel, ban alle enge prikkels uit, kijk dus niet naar beneden en spring zo snel mogelijk. En nog even dit: bereid je voor op een enorm libido naderhand.’

Ter voorbereiding ging ik regelmatig naar het Amsterdamse IJ, alwaar de sprong plaats zou vinden. Ik realiseerde me dat 75 meter erg hoog is, een hoogte waar ik normaal gesproken hoogtevrees van zou krijgen. En dat ik me geestelijk maar niet moest voorbereiden op een dergelijke hoogte, omdat me dat er vermoedelijk alleen maar van zou weerhouden te springen. Ook besloot ik dat ik er snel vanaf wilde zijn als het eenmaal zover was.

Met de moed der wanhoop

Op mijn verjaardag had Robin Seijdel, een vriend, laten weten samen met mij een jump te willen maken. Op 30 augustus was het zo ver. Het was een prachtige zomermiddag met een temperatuur van rond de twintig graden. Voordat je naar boven gaat, informeren jump-assistenten naar je lichamelijke fitheid (rugpijn? hart klachten?) en word je gewogen, zodat precies kan worden bepaald wat je diepste punt zal zijn na de sprong. Ver vol gens krijg je scheenbeschermers en tal van riemen om, zodat je veilig aan het sterke elastische jumptouw kan worden vastgemaakt.

Als je aan de beurt bent, stap je op een platform, de jump-assistent bevestigt je aan het jumptouw en instrueert voor de jump. Als je een nieuweling bent, wordt geadviseerd niet te springen, maar je voorover te laten vallen met gespreide armen. De val duurt ongeveer twintig seconden. Door de elasticiteit van het touw ga je vijf keer heen en weer, 5 x 4 seconden. Het diepste punt bereik je van zelfsprekend alleen na de ‘eerste’ val.

Robin sprong zelfs twee keer: één keer met een dip in het water. Ik bleef liever ongedipt. Robins voorbereiding verschilde aanzienlijk van de mijne. Hij vertelde na afloop: ‘Al die tijd voor de jump had ik oprecht iets van: dat doe ik wel even. En dat was ook zo. Alleen de seconde voorafgaand aan de sprong drong het enigszins tot me door waar ik mee bezig was. De eerste sprong was een kwetsbaar ogenblik, een moment van volledige overgave en ook van volledige terugtrekking in mezelf. Ik had dat in ieder geval nog nooit meegemaakt. Toen ze meteen na de eerste sprong vroegen of ik nog een keer wilde, was ik te verbouwereerd om nee te zeggen. Achteraf was ik blij dat ik me niet beter mentaal had voorbereid, want dan was ik zeker niet zo onbezorgd de hijskraan in gestapt.’

Ikzelf was bijzonder rustig toen ik naar boven werd gehesen en dat is misschien te danken aan mijn zorgvuldige voor bereidingen. Zelfs zo rustig, dat ik – ondanks de waarschuwing van Jeroen Otten – even naar beneden keek om van het uitzicht te genieten. En toen ging het mis. Ik schrok van de enorme hoogte, terwijl ik volgens de jump-assistent nog maar op de helft zat. Ik raakte verstijfd van angst. Dit was geen lolletje meer. Ik nam mij voor om daarboven precies te doen wat de assistent mij had gezegd om er zo snel mogelijk van af te zijn. Boven aangekomen speelde ik plotseling met de gedachte om weer terug te gaan. Maar die werd overruled door de gedachte dat ik toch zo graag wilde springen. Beide gedachten vochten om de voorrang. Terwijl ikzelf ondertussen, zo voelde dat aan, de beslissing nam de controle uit handen te geven. Niet verder nadenken en gewoon doen wat me gezegd was. ‘Een moment van volledige overgave’, zoals Robin dat noemde. Een vreemd moment, want ik behaalde een overwinning op mijn eigen angst.

Een grote bek en schokken

Veel gedachten tijdens de val had ik niet. Daar ging het allemaal veel te snel voor. Wat ik wel deed was, telkens als ik naar boven terugveerde, me iets optrekken aan een touwtje dat aan het grote touw bevestigd was. Ik deed het om de verontrustende druk op mijn hoofd te verminderen. Of het zinvol was, weet ik niet.

Eenmaal weer op de grond, duizelde het me enigszins. Ik transpireerde hevig en had een verhit hoofd, een hoofd als een boei. Een reactie die ik ook heb als ik behoorlijk onder stress sta. Verder had ik nergens last van. Ook Robin niet. We voelden ons direct erna een hele piet en hadden de toeschouwers natuurlijk heel wat te vertellen.

‘Ik had een grote bek en voelde me heel macho. Diezelfde avond was ik voor het slapen gaan tamelijk opgewonden en zelf ingenomen’, zei Robin achteraf.

Euforische gevoelens die ik wel herkende, maar zelf viel ik die avond als een blok in slaap. Mijn libido stond daar blijkbaar versteld van, want ik heb hem ook de dagen erna niet gezien.

In de week na de jump was ik snipverkouden. Een herstelreactie die ik me wel goed kan voorstellen. Ik had maanden naar deze sprong toegeleefd, zat op een bepaalde manier in spanning, en na het hoogtepunt van de spanning die kop als een boei. De ontspanning erna doet de rest. Verder had ik geen klachten. Robin wel. Geen lichamelijke, maar licht emotionele. ‘De ochtend na de jump en enkele dagen daarna herbeleefde ik opeens met een schok de sprong en dan met name het moment voorafgaand aan de sprong. Dat ging gepaard met een gevoel van angst en ongeloof. Deze angstgevoelens bleven wel beheersbaar en waren van korte duur. In deze flashbacks voelde ik de wind wapperen en had ik last van draaierigheid. Ik vond deze flashbacks onplezierig en probeerde er dan ook niet aan toe te geven. Na een week ondervond ik geen problemen meer.’

Voer voor psychologen, of misschien eerder voor fysiologen en biologen?[/wpgpremiumcontent]