Een betere methode is gebruik te maken van een line up, waarbij de ooggetuige de dader moet aanwijzen in een reeks van mensen die allemaal aan het signalement voldoen. Als de ooggetuige in zo’n geval de verdachte aanwijst, is de kans kleiner dat het om een herinneringsvervalsing gaat. De line up kan op verschillende manieren gestalte krijgen: met personen, foto’s of video’s. De onderzoekers Kerstholt en Van Amelsvoort hebben dit in opdracht van het ministerie van justitie onderzocht en concluderen dat de dader bij elk van deze methode even vaak wordt aangewezen. De confrontatie met personen of videobeelden heeft echter als belangrijk voordeel dat onschuldige verdachten minder vaak als ‘dader’ worden herkend dan met foto’s. De extra informatie over het driedimensionale beeld of de manier van bewegen verkleint de kans op herinneringsvervalsing.

Dit soort psychologisch onderzoek wil ertoe bijdragen dat er minder menselijke fouten worden gemaakt en dat er dus minder onschuldigen in het gevang komen. Een lofwaardig streven, maar critici hebben er weinig vertrouwen in. Zij beweren dat het onderzoek in het laboratorium weinig zegt over de gebeurtenissen in de echte wereld. De situatie tijdens experimenten zou veel te kunstmatig zijn. Zo maakt het een heel verschil of je daadwerkelijk in de loop van een pistool hebt gekeken of dezelfde gebeurtenis onderuitgezakt op video hebt gadegeslagen.

De psycholoog Karen Donders besloot uit te zoeken hoe steekhoudend dit argument is. Zij onderzocht de betrouwbaarheid van ooggetuigen in een situatie die zoveel mogelijk de werkelijkheid benaderde en voerde een vergelijkbaar experiment uit in het laboratorium. Bij het veldexperiment bezocht een acteur een reeks bankfilialen. De man speelde hier een lastige cliënt die wel een rekening wilde openen, maar die zich niet wilde identificeren. Vijf uur later kreeg het bankpersoneel te horen dat zij zonder het te weten hadden deelgenomen aan een experiment en hen werd gevraagd of zij vragen over het voorval wilden beantwoorden en of zij wilden proberen de ‘dader’ uit een reeks foto’s te halen. Het blijkt dat dit voor het bankpersoneel een uiterst moeilijk opgave is. Slechts een op de drie kan de juiste persoon aanwijzen tussen vijf anderen en een even groot aantal merkt een onschuldige figurant als dader aan.

Donders herhaalde het experiment vervolgens zo exact mogelijk met studenten die naar een videopname van hetzelfde voorval keken. Ook zij moesten vijf uur later weer proberen de dader te herkennen en zij deden dit net zo goed/slecht als de personen die de gebeurtenis aan den lijve hadden ondervonden. Bovendien zijn er op andere vlakken veel overeenkomsten. Zo blijkt het in beide groepen niets uit te maken of de ooggetuigen zeggen dat ze zeker weten dat ze de juiste man hebben aangewezen. Mensen met een rotsvast geloof in het eigen geheugen blijken zich namelijk net zo vaak te vergissen als twijfelaars.

Donders concludeert dat laboratoriumonderzoek wel degelijk relevante inzichten oplevert over de situatie van alledag. In het laboratorium en in het veld worden dezelfde fouten gemaakt. Psychologen zijn daarom waardevolle deskundigen in de rechtszaal, omdat zij kunnen aangeven in hoeverre een rechter vertrouwen mag hebben in het geheugen van een ooggetuige. Donders geeft ondertussen iedereen het advies om er als onschuldige verdachte voor te zorgen dat je niet in een line up met foto’s terecht komt. Helaas is dat niet iets dat iemand zelf in de hand heeft en daarmee komen we weer uit bij de uitspraak van Loftus aan het begin van dit stuk.

‘Iedereen kan veroordeeld worden voor een misdaad die hij niet heeft gepleegd.’ Dit stelt de Amerikaanse psycholoog Elizabeth Loftus die al meer dan twintig jaar experimenteel onderzoek heeft gedaan naar de betrouwbaarheid van het menselijke geheugen. De resultaten waren van dien aard dat zij verzuchtte dat ‘het bijna een wonder is dat we ons ook maar iets kunnen herinneren zoals het werkelijk gebeurde’. Het geheugen is kneedbaar en dat maakt de verslagen van ooggetuigen tot de achilleshiel van de moderne rechtspraak. Zo blijkt ongeveer de helft van de mensen van wie is gebleken dat zij onschuldig in de gevangenis terecht zijn gekomen, veroordeeld te zijn aan de hand van een ooggetuige die zich in de persoon van de dader heeft vergist.[/wpgpremiumcontent]