Schrijvers plegen niet vaker zelfmoord dan anderen. Dit zegt de literatuur wetenschapper en schrijver Jeroen Brouwers in het standaardwerk De laatste deur (1983), waarin hij uitgebreid ingaat op Nederlandstalig schrijvende zelfmoordenaars. Daartoe behoren ook dichters als François Haverschmidt alias Piet Paaltjens (1835-1894), Jan Emmens (1924-1971) en Jan Arends (1925-1974).

Subtiele aankondiging van zelfmoord

Wat hebben Sylvia Plath, Anne Sexton, Wladimir Majakowskij en John Berryman gemeen? Ze zijn dichter ...

Lees verder

Hij onderbouwt zijn argumenten met een schatting – tellen staat hem tegen – waarbij hij ook buitenlandse auteurs betrekt, dat het aantal schrijvende zelfmoordenaars de honderdvijftig niet overstijgt. ‘Ik durf te beweren dat al zou iemand, ooit, erin slagen een opsomming te verschaffen van alle schrijvers-zelfmoordenaars ter wereld door de eeuwen heen, het aantal dezer misschien het dubbele zou kunnen bedragen van het door mij verkregene, niet meer, waarschijnlijk wel minder. Nauwelijks een paar honderd schrijvers-zelfmoordenaars op de vele tienduizenden en andermaal tienduizenden schrijvers die door de millennia heen hebben geleefd, zijn er niet bijzonder veel, integendeel bijzonder weinig.’

Hoewel Brouwers het in dit citaat niet specifiek over zelfmoordende dichters heeft, gaan we er maar vanuit dat hij in zijn beschrijving voor hen geen uitzondering maakt; was dat namelijk wel het geval geweest, dan zou hij daar ongetwijfeld op gewezen hebben, gezien zijn serieuze studie en nauwgezette beschrijving van het onderwerp. Zijn meest recente publicatie De zwarte zon, die gaat over zelfmoord en literatuur in de twintigste eeuw, getuigt daar ook van. ‘Een boek dat goed geschreven en leerzaam is, ook al blijft de psychiatrische invalshoek als verklaring voor de suïcide bij schrijvers wat onderbelicht,’ zo schrijft de psychiater Hans van der Ploeg in een recensie in NRC Handelsblad van 14 januari jl.

Een heel ander geluid komt uit de Amerikaanse psychiatrische literatuur. Kay Redfield Jamison, hoogleraar psychiatrie aan de Johns Hopkins University in Washington, schreef in de jaren negentig boeken over manische depressies, zoals de bestseller Een onrustige geest, en het vorig jaar verschenen Night falls fast – understanding suicide. Uit haar psychiatrisch onderzoek naar temperament bij kunstenaars concludeert ze dat het aantal gevallen van zelfmoord onder dichters veel hoger is dan onder andere schrijvers en onder de hele bevolking.

Psychiaters beweren maar wat

Brouwers en Jamison verschillen in hun werken ook op een ander punt van mening. Zo stelt Brouwers in De laatste deur dat de redenen waarom schrijvers zelfmoord begaan, niet afwijken van die van andere mensen.

Hij noemt bijvoorbeeld politieke redenen (niet willen leven onder een dictatoriaal regime), bepaalde levensomstandigheden (liefdesverdriet, onbeantwoorde liefde, een ongelukkig huwelijk) en ziekte (invaliditeit, aanhoudende pijn). Een belangrijke reden is angst: angst voor krankzinnigheid en de gevolgen daarvan, angst voor lichamelijke aftakeling vermengd met de angst dat het literaire talent opraakt, angst voor de dood.

Kay Redfield Jamison gaat er in Night falls fast vanuit dat de meeste zelfmoordenaars – wie het ook mogen zijn – een psychiatrische stoornis hebben, omdat aan vrijwel elke zelfmoord volgens haar een of andere geestesziekte ten grondslag ligt: ‘Onderzoek na onderzoek in Europa, de Verenigde Staten, Australië en Azië heeft de aanwezigheid van psychopathologie bevestigd bij mensen die de hand aan zichzelf slaan; in alle belangrijke onderzoeken die tot op heden werden verricht, is een psychiatrische stoornis in negentig tot vijfennegentig procent van de gevallen waargenomen.’ Voorbeelden daarvan zijn: depressie, manische depressie, schizofrenie, borderline- en antisociale persoonlijkheidsstoornissen.

Basistraining

Omgaan met depressie

  • Leer depressie beter begrijpen aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten
  • Ontdek welke eerste stappen je kunt zetten om beter met je depressie om te gaan
  • Met inspirerende video's en artikelen
bekijk de training
Nu maar
€ 35,-

De literator Brouwers zal het ongetwijfeld opnieuw hartgrondig met de psychiater Jamison oneens zijn en Jamison zal het ongetwijfeld niet eens zijn met de bevindingen van Brouwers. Waarom, vraag je je dan af? Feiten zijn toch feiten. Als je – zoals Brouwers – na bronnenonderzoek inschat, dat het aantal zelfmoordende dichters relatief gezien erg meevalt en als je – als Jamison – op basis van uitgebreid internationaal onderzoek concludeert dat de meeste zelfmoordenaars psychiatrische gevallen zijn, dan moet je daar toch zeker vanuit kunnen gaan? Waarschijnlijk ligt het aan de analyse van de feiten en aan de interpretatie ervan. Beide auteurs hebben immers een volstrekt andere wetenschappelijke benadering van hun onderzoeksmateriaal en hun referentiepunten verschillen aanzienlijk.

En wie Brouwers’ werk leest, begrijpt dat hij ook niet zo gauw bij de psychiatrie te rade zal gaan – een zwak punt, zei Hans van der Ploeg in zijn recensie van Brouwers’ laatste boek. Brouwers’ aversie tegen de psychiatrie levert overigens wel prachtige uitspraken op. Enkele citaten uit De laatste deur: ‘Als psychiaters het over schrijvers hebben, dan beweren ze doorgaans maar wat.’ en ‘Schrijvers en psychiaters – ze lijken te bestaan om elkaar te bijten.’ En over zelfmoord: ‘(…) als men zelfmoord bedoelt, spreekt men eufemistisch van auto-euthanasie: een term die sedert enige jaren in het wereldje van de veel te overschatte psychiatrie ook al bijdraagt aan de omzwachteling van het verschijnsel (…)’

Het lijkt erop dat literatuurwetenschap en psychiatrie voorlopig nog mijlenver van elkaar af staan.

Hopeloos ben ik

Toch zijn er lichtpuntjes. De ‘letteren’ en de ‘ziekteleer’ blijken elkaar wel degelijk te kunnen verdragen in een minder ‘bedreigend’ soort onderzoek naar dichters-zelfmoordenaars. Het gaat hier om een psycholinguïstisch onderzoek van Shannon Stirman en James Pennebaker van de universiteit van Texas naar het woordgebruik in poëzie. De onderzoekers deden een verkennend, maar geavanceerd onderzoek, waarbij zij gebruik maakten van geautomatiseerde tekstanalyse- programma’s om woorden te tellen.

De onderzoekers vroegen zich af of het gebruik van bepaalde woorden in het oeuvre van dichters-zelfmoordenaars verschilt van dat van andere dichters. Daarbij verwachtten ze dat de eersten vaker woorden zouden gebruiken die naar zichzelf verwijzen en minder naar anderen. Bovendien veronderstelden ze dat zij vaker lucht zouden geven aan negatieve gevoelens (haatgevoelens, gevoelens van hopeloosheid of van minderwaardigheid) en het vaker over de dood zouden hebben (zie ook het kader).

Stirman en Pennebaker selecteerden driehonderd gedichten van twee groepen bekende dichters: ongeveer de helft was geschreven door totaal negen zelfmoordenaars, zoals de Ameri kaanse dichters John Berryman en Sylvia Plath en de Russische dichter Sergei Esenin, en de andere helft door negen ‘controledichters’. Die laatsten hadden weliswaar geen zelfmoord gepleegd, maar wel enkele belangrijke eigenschappen met hen gemeen, zoals nationaliteit, de periode waarin ze leefden, opleiding en geslacht. Elke zelfmoordenaar werd gekoppeld aan een controledichter: bijvoorbeeld Berryman aan de Amerikaan Lawrence Ferlinghetti, Plath aan de Amerikaanse Denise Levertov en Esenin aan de Rus Boris Pasternak. De leeftijd die de zelfmoordenaars hadden bereikt was de zogenaamde ‘cut-off’-leeftijd voor de controledichters: alleen tot die leeftijd werd het werk van de controledichter geanalyseerd. Zo pleegde de Amerikaanse dichteres Anne Sexton op zesenveertigjarige leeftijd zelfmoord, wat de ‘cut-off’-leeftijd van haar Amerikaanse tegenhanger Adrienne Rich werd, die overigens nu al in de zeventig is.

Wie wordt dichter- zelfmoordenaar?

Volgens Stirman en Pennebaker blijken dichters die zelfmoord plegen te verschillen van dichters die kiezen voor het leven. Ze verwijzen in hun poëzie veel vaker naar zichzelf en veel minder naar anderen, dan de dichters uit de controlegroep. En dat zou volgens de onderzoekers voortvloeien uit het feit dat de dichtende zelfmoordenaars meer met zichzelf bezig zijn dan met hun relaties, waardoor ze zichzelf, bewust of onbewust, van de omgeving afsluiten. Ze gebruiken in hun poëzie ook minder frequent woorden die te maken hebben met het leggen van contact met anderen (‘communiceren’, ‘spreken’ of ‘luisteren’). Een en ander sluit naadloos aan bij de theorie van de socioloog Durkheim, die het losraken van de medemens gelijkstelt aan het losraken van het leven. Woorden die iets met de dood te maken hebben, gebruiken zelfmoordenaars volgens verwachting veelvuldiger; woorden voor negatieve gevoelens werden echter niet significant vaker door de ene dan door de andere groep gebruikt.

Omdat het onderzoek van deze psycholinguïsten nog maar een aanzet is tot verdere studie, is het nog veel te vroeg om te beweren dat op basis van woordanalyse van gedichten het mogelijk is te bepalen welke dichter zelfmoordenaar zal worden en mogelijk hulp nodig zal hebben. Als dat in de toekomst mogelijk is, zou het aantal zelfmoordenaars onder dichters kunnen dalen, wat altijd nastrevenswaardig is, of het aantal zelfmoordenaars onder hen nu bijzonder veel of bijzonder weinig is.

Denk je over zelfdoding?

Denk je aan zelfmoord en wil je contact met een deskundige? Bel of chat anoniem met 113. De hulplijn is 24/7 beschikbaar, dus zoek hulp als je zelfmoordgedachten hebt: 0900-0113 of www.113online.nl[/wpgpremiumcontent]