In het jaar 2000 zullen in Amerika de stiefgezinnen in de meerderheid zijn ten opzichte van ‘gewone’ gezinnen. Hoewel het in Nederland voorlopig zo’n vaart niet zal lopen, kent ook ons land een stijging van het aantal stiefgezinnen. Op dit moment krijgen jaarlijks zo’n 25 duizend kinderen te maken met een echtscheiding van hun ouders en ruim veertig procent van deze kinderen groeit na de scheiding op in een stiefgezin.

De sterke groei van het aantal stiefgezinnen betekent echter niet dat stiefgezinnen met succes functioneren. Integendeel, maar liefst zestig procent van de stiefgezinnen slaagt er niet in om bij elkaar te blijven. De Amerikaanse onderzoekers James Bray en John Kelly raakten geïntrigeerd door deze ontwikkelingen en deden grootschalig onderzoek. Gedurende negen jaar volgden zij het reilen en zeilen van honderd stiefgezinnen en honderd kerngezinnen uit Amerika (de term ‘kerngezin’ komt uit de sociologie en betekent simpelweg ‘een echtpaar met hun natuurlijke kinderen’). Op basis van de onderzoeksresultaten schreef James Bray het onlangs verschenen boek Stiefouders en stiefkinderen. De valkuilen en de oplossingen.

Toenadering en afwijzing

Omdat kinderen na een scheiding meestal bij hun moeder blijven wonen, bestaan de meeste stiefgezinnen uit een biologische moeder en een stiefvader. In hun onderzoek hebben

Log in om verder te lezen.