Voor het verhaal zou het leuk zijn als Arne Öhman een flinke fobie had die hem het laboratorium in had gedreven; een intense angst voor slangen bijvoorbeeld. En dat hij vervolgens was gaan uitzoeken waarom het slangen waren die hem bang maakten, en geen raceauto’s. En waarom die irrationele angst – in Zweden is de kans te overlijden door een slangenbeet niet heel groot – zo heftig en hardnekkig is.

Maar in werkelijkheid is de hoogleraar psychologie aan het Karolinska Instituut in Stockholm helemaal geen angsthaas. Hij begon zijn carrière, in de jaren zeventig, omdat hij ‘gewoon geïnteresseerd’ was in de evolutionaire basis van angsten en fobieën. Hij pionierde op het gebied van aandacht en angst, en toonde als eerste (en enige) aan dat enge plaatjes door ons brein worden verwerkt zonder dat het bewustzijn zich erin mengt. Daarmee was Öhman eigenlijk een neurowetenschapper avant la lettre: hij probeerde het angstige brein te verklaren, nog zonder hulp van moderne hersenscans. Inmiddels staan er veel meer technische mogelijkheden tot zijn beschikking, maar Öhman gaat met pensioen. Met pijn in het hart, want wat wíl hij graag weten hoe het verder gaat.

Mensen zijn relatief vaker bang voor spinnen en slangen dan voor revolvers en stopcontacten. En voor bloemen is niemand bang. Hoe zit dat volgens u?

‘Dat is een kwestie van evolutie. Angst voor gevaarlijke dingen zoals slangen en spinnen, maar ook voor bloed, donkere ruimtes en bijvoorbeeld grote hoogtes is “adaptief”: het vergroot onze overlevingskansen als we alert zijn op deze bedreigingen. Want wie bang is vermijdt gevaar, en wie gevaar vermijdt raakt minder snel in de problemen en krijgt meer gelegenheid om zich voort te planten. In de loop van miljoenen jaren heeft dit ertoe geleid dat deze bedreigingen prepared (voorgeprogrammeerd, red.) zijn; ze wekken makkelijker angst op dan neutrale ongevaarlijke zaken als geometrische figuren of “contra-preparede” dingen zoals bloemen en bomen. Voor deze laatste categorie is het juist extra onwaarschijnlijk om extreem bang te zijn. De preparedness-theorie verklaart waarom relatief veel mensen een slangenfobie of hoogtevrees hebben, maar ook waarom bijna niemand een fobie heeft voor moderne bedreigingen zoals geweren, motorvoertuigen of bijvoorbeeld elektriciteit. Die kosten jaarlijks vele malen meer levens dan spinnen en donkere ruimtes. Maar omdat ze evolutionair jong zijn, kan ons brein er niets mee.’

Evolutionaire verklaringen laten zich doorgaans lastig toetsen in een experimentele omgeving. Hoe hebt u dat gedaan?

‘Op basis van de preparedness-theorie, die overigens op naam staat van mijn gewaardeerde collega Martin Seligman, verwacht je dat je mensen makkelijker en hardnekkiger bang kunt maken voor evolutionair gevaarlijke dingen dan voor ongevaarlijke stimuli. En dat bleek ook uit conditioneringsonderzoek dat ik heb gedaan in de jaren tachtig. Als je mensen een plaatje van een slang laat zien en ze tegelijkertijd een ongevaarlijke maar onaangename elektrische schok geeft, dan zijn ze in no time geconditioneerd: een volgende keer breekt het angstzweet ze uit als ze alleen de slang zien.

Bij afbeeldingen van niet-gevaarlijke dingen, zoals bloemen, leren mensen dat verband minder snel aan en bovendien “dooft het sneller uit”: als je proefpersonen een aantal keer een bloem voorschotelt zonder schok, dan stopt dat zweten ook weer vrij snel. Bij enge zaken is dat niet het geval, daar blijven mensen ook zonder schok angstig op reageren. Op een of andere manier hebben slangen dus “iets” waardoor je er inderdaad makkelijk angstige associaties mee legt.’

Dat slangen ‘iets’ hebben waardoor we er makkelijk bang voor worden klinkt vaag, maar daar heeft het brein blijkbaar geen moeite mee. Hoe regelen de hersenen onze angstreacties?

‘De verwerking van angstige stimuli kan volstrekt automatisch en buiten ons bewustzijn om lopen. In een experiment selecteerden we spinfobici, slangfobici en mensen die überhaupt geen fobie hebben. We lieten al die mensen kijken naar plaatjes van spinnen, slangen en neutrale plaatjes, maar die afbeeldingen werden “gemaskeerd”: ze waren zó kort in beeld dat ze niet bewust konden worden waargenomen. Daarna verscheen er meteen een ander plaatje in beeld. Het bleek dat spinfobici fysiek reageerden op de spinnenplaatjes, de mensen met slangenangst gingen zweten van slangenafbeeldingen en de fobievrije mensen reageerden nergens op. Geen van de proefpersonen had er een vermoeden van welke plaatjes waren getoond. Blijkbaar kan ons angstsysteem zonder tussenkomst van bewustzijn worden geactiveerd.

Het mechanisme hierachter is een soort sluiproute in het brein. Normaal gesproken komt informatie ons brein binnen via de thalamus, een soort schakelstation zoals je dat vroeger in telefooncentrales zag. Vanuit dit neurale schakelstation reist de informatie door naar de visuele cortex, die er een voorstelling van maakt; die voorstelling wordt doorgestuurd naar de emotieverwerkende amandelkern, en daar wordt een en ander voorzien van een emotioneel etiketje: hé, een mooie bloem!

Sommige bedreigende stimuli zien kans de corticale route af te snijden. Visuele informatie belandt dan vanuit de thalamus rechtstreeks in de amandelkern. Deze “subcorticale” route is sneller dan de corticale route; best handig als je wilt vluchten voor een gevaarlijke slang.’

Die slangen en spinnen spelen wel een héél grote rol bij het onderzoek naar angsten en fobieën. Zo gevaarlijk zijn ze nu toch ook weer niet?

‘Ik heb lange tijd gedacht dat spinnen en slangen op ongeveer hetzelfde treetje van de angstladder staan. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Slangen zijn “specialer” voor ons brein dan spinnen. Dat zie je goed als je mensen vraagt om plaatjes van slangen, spinnen, bloemen en paddenstoelen aan te wijzen te midden van andere afbeeldingen. Hoe meer afleidende plaatjes er zijn, hoe moeilijker die opdracht is. Behalve bij slangen. Slangen hebben een groot pop-out vermogen – alsof ze neonkleuren hebben, maar die hebben ze vaak juist niet. Voor slangen geldt ook dat het niet uitmaakt waar ze staan in het visuele veld. Zelfs in het uiterste hoekje van het blikveld worden ze meteen waargenomen, terwijl dat voor spinnen en andere dingen alleen geldt wanneer ze een centrale positie in het blikveld innemen.

De verklaring voor onze “obsessie” met slangen is andermaal evolutionair van aard. Wurgslangen waren honderd miljoen jaar geleden de enige gevaarlijke tegenstanders voor primitieve zoogdieren; katachtigen en andere roofdieren bestonden pas vijftig miljoen later. “Slangachtigen” waren tijdenlang het enige waarop onze voorouders goed moesten letten. Dat werd alleen maar erger toen zich ongeveer zestig miljoen jaar geleden in Afrika gifslangen ontwikkelden. Deze beesten hadden en hebben vaak een schutkleur; daardoor werd de druk op het visuele en angstige brein van de eerste apen en primaten, oftewel antropoïden, om slangen op te merken nóg groter dan hij al was.

De antropoïden verspreidden zich over Afrika, ook wel de Oude Wereld, tot Madagaskar en in Zuid-Amerika, dat toen nog gezellig tegen Afrika aan lag. De continenten scheidden zich op een goed moment van elkaar af en toen gebeurde er iets interessants. De apen en primaten op Madagaskar en die in Zuid-Amerika werden miljoenen jaren lang niet meer met gevaarlijke slangen geconfronteerd. Op Madagaskar komen tot op de dag van vandaag geen gifslangen voor; en de Zuid-Amerikaanse Nieuwe-Wereld-apen kwamen pas miljoenen later weer in contact met gevaarlijke slangen die via Noord-Amerika binnenkwamen. En wat blijkt? De Oude-Wereld-apen, waartoe wij mensen ook behoren, zijn van nature bang voor slangen en hebben een complex visueel systeem, terwijl de Nieuwe-Wereld-apen en primaten uit Madagaskar niet bang zijn voor slangen en over een eenvoudig visueel systeem beschikken.’

Angsten en fobieën zijn volgens u gebaseerd op evolutionair overgeleverde onbewuste processen. Hoe kan het dan dat cognitieve gedragstherapie toch zo effectief is bij het bestrijden ervan?

‘Dat we gevoelig zijn voor bedreigende zaken is een primitief onbewust proces. Maar dat wil niet zeggen dat onze ratio helemaal geen rol speelt bij het ontwikkelen van fobieën. Naast die biologische aanleg ontwikkelen sommige mensen allerlei onterechte verwachtingen over het object van hun angst: “Muizen dragen vreselijke ziektes met zich mee” of “Spinnen zijn erop uit om me ’s nachts te bijten”, bijvoorbeeld. Dat soort gedachten wordt natuurlijk niet meegeleverd in ons genenpakket en ze zijn prima uit te bannen met cognitieve gedragstherapie. Sterker nog: dat is de enige manier om een heftige angst of fobie aan te pakken.’

Hebt u onderhand niet genoeg van al dat ongedierte?

‘Haha, nee hoor. Spinnen en slangen blijven boeien. Al moet ik bekennen dat ik de laatste jaren ook onderzoek heb gedaan naar primitieve reacties op menselijke gezichten. Ik ontdekte bijvoorbeeld dat boze mannengezichten aandacht trekken te midden van bekende gezichten, maar niet tussen onbekende gezichten. Boze vrouwengezichten vallen nooit op, ook niet tussen bekenden; maar een vrolijke uitdrukking op een vrouwengezicht springt er altijd uit.

Zou die nieuwe lijn van onderzoek van mij een onbewuste desinteresse voor ongedierte reflecteren? Onbewuste dingen kun je nooit ontkennen, dus daar begin ik niet aan. Ik weet wel dat ik het leuk vind dat ik gepionierd heb op het terrein van angsten en hoe het brein daarmee omgaat. Maar stiekem kan ik ook wel een beetje jaloers zijn op wetenschappers die nu net beginnen. De technieken van tegenwoordig maken zoveel meer mogelijk dan tien, twintig, dertig jaar geleden. Ik voel me soms net een kind in een snoepwinkel met al die verschillende hersenscanapparatuur. Maar dat kindje is wel een beetje oud tegenwoordig.’

Arne Öhman (Zweden, 1943) studeerde psychologie in het Zweedse Uppsala, waar hij ook promoveerde. Hij werkte aan universiteiten in de Verenigde Staten en in Noorwegen en werd daarna hoogleraar aan de universiteit van Uppsala. In 1993 stapte hij over naar het Karolinska Instituut, een gerenommeerde medische universiteit in Stockholm. Daar werd hij wederom hoogleraar en sinds 2001 is hij er hoofd van de afdeling klinische neurowetenschappen. Öhman is lid van de Zweedse Academie van Wetenschappen en het Nobelcomité: jaarlijks buigt hij zich met andere commissieleden over de vraag wie dit jaar de meest prestigieuze prijs voor de geneeskunde mag krijgen (een Nobelprijs voor de psychologie bestaat niet).

[/wpgpremiumcontent]