Wie ben je?

‘Jij vraagt me wie ik ben? Dat is een vraag om sardonisch en homerisch om te gaan lachen. M’n hele leven ben ik al bezig mezelf op het spoor te komen, via het schrijven van boeken. Natuurlijk geef ik van alles vorm in boeken, maar de diepste onderstroom in mijn werk is toch wel de vraag: “Wie ben ik?” En dan komt er dus vroeg of laat iemand van Psychologie Magazine die in een handjevol woorden wil horen wie ik ben. Als ik dat geheel naar tevredenheid uitputtend kon vertellen, zou met dit interview mijn schrijverschap eindigen, en dat vind ik alleen al uit economische motieven niet in de haak.

Maar goed, ik kan je wel vertellen waar ik vandaan kom: dat was het laagst denkbare arbeidersmilieu. Jij ziet mij nu als de grote ako Literatuurprijs-winnaar die in een chic huis in de duurste wijk van de stad woont, maar zo zie ik mezelf niet. Het winnen van zo’n prijs is natuurlijk een stimulans voor het schrijven, maar ik voel me er echt niet zekerder of belangrijker door. Mijn eenvoudige, bescheiden komaf zit veel dieper ingebrand.

Mijn ouders waren ongeschoolde mensen. Mijn moeder werd na

anderhalf jaar van de huishoudschool gehaald omdat ze haar moeder moest bijstaan in het huishouden, en mijn vader moest als veertienjarige gaan werken in de schoenenfabriek. Die fabriek is de plek waar mijn ouders elkaar leerden kennen; mijn moeder was daar op haar vijftiende ook tewerk­gesteld.

Bij ons thuis werd altijd gesteggeld. Over centen en dubbeltjes en over allerlei andere kleine dingen. Mijn vader knaagde hevig aan de huishoudportemonnee door te gaan drinken. Door de week werkte hij hard, maar in het weekend zette hij het op een drinken. Hij had een kwaaie dronk: de alcohol ontnam hem zijn zachtaardige, zorgzame, kwetsbare gezicht. In het weekend was het bij ons daardoor een getier en een geschreeuw van jewelste. Hij molesteerde mijn moeder dan, en door de week hadden ze daar weer ruzie over. Het was een uitzichtloze situatie. Mijn vader was ongedurig, hij kwam ook nooit verder met z’n carrière. Hij bouwde nooit iets op en sprong van het ene bedrijf naar het andere.

Zijn rusteloosheid heeft hij denk ik opgedaan tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië. Hij bewaakte daar een Indische burgemeestersfamilie die op een nacht gruwelijk werd afgeslacht door de revolutionairen. Als kind vond ik later de foto’s in huis: kiekjes van bergen afgesneden lichaamsdelen. De revolutionairen waren die bewuste nacht langs mijn vader geslopen, en hij verweet zichzelf dat hij zijn ogen en oren niet wijd genoeg open had gehad. Daar raakte hij verschrikkelijk overspannen van. Zijn officieren gaven hem toen port te drinken. Hij is er eigenlijk nooit meer mee opgehouden.

Ik ontvluchtte de barre werkelijkheid thuis door in boeken te duiken, en door eindeloos te dagdromen. Zo ontdekte ik een parallelle wereld. ‘De wereld van Bosch en Breugel’ noemde ik die. Ik had namelijk besloten dat Bosch en Breugel in mij samenkwamen omdat mijn moeder uit Den Bosch kwam en mijn vader uit Son en Breugel. Ik beeldde me in dat ik in de surrealistische schilderijen van Jeroen Bosch liep, en fantaseerde over de boerenbruiloften van de schilder Pieter Breugel.

Die vertellende instantie in mezelf ontdekte ik al vroeg, ongeveer op m’n vijfde, denk ik. De verbeeldingskracht waar ik nu mijn boeken mee schrijf, was toen al volop aanwezig. In de zandbak bedacht ik verhaaltjes over dingen die ik beleefd had. Bijvoorbeeld over een dooie rat die ik tussen de tomaten had zien liggen, daar verzon ik dan een afgerond verhaaltje omheen. Al mijn verhaaltjes kregen een titel. Ik hoefde alleen maar zo’n titel te noemen en ik zag in één keer het hele verhaaltje voor me.

Verhalen vertellen is denk ik een manier om iets te leren over je plaats in de wereld. Je wilt weten waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat. Althans, zo is mijn schrijversloopbaan begonnen: ik daalde af in de schacht van mijn eigen ziel om daar met een archeologenhamertje wat rond te timmeren en te wroeten.

Maar inmiddels vind ik dat niet meer zo interessant. Ik vind het nu veel belangrijker me af te vragen waarom de wéreld in elkaar zit zoals hij in elkaar zit. Ik zie het als mijn taak het mechanisme van de onrechtvaardigheid bloot te leggen. Waarom ligt de een in de goot en zit de ander op een gouden brood? Wat is er mis met de wereld? Wat deugt er niet en hoe is dat zo gekomen?

Je kunt wel stellen dat ik gefascineerd ben door Het Kwaad. Ik ben daar ook heel bang voor. Niet alleen voor Het Kwaad van het individu, maar eveneens voor de tsunami van Het Kwaad die je kan overspoelen, zoals in de jaren dertig en veertig in Europa is gebeurd. Zoiets kan zomaar opnieuw gebeuren. Kijk maar om je heen. We leven in een land waar moslims wonen, de meesten zijn vreedzaam, maar sommigen zijn agressief, ongeleid, woedend. Woedend op het Westen, op onze cultuur. Dat is Het Kwaad dat je ooit kan overweldigen en verpletteren, en dat ik tot klaarheid probeer te brengen in mijn boeken. Ik weet wel dat we nooit zullen leven in een wereld zonder Kwaad, maar het is pas echt een schande als je je daarbij neerlegt. Je moet altijd blijven streven het zoveel mogelijk in te perken.’

Waar geloof je in?

‘In schrijven. Schrijven is mijn religie en Het Onmogelijke Boek is mijn godheid. Het is mijn streven het menselijkerwijs onmogelijk te schrijven boek zo dicht mogelijk te naderen. Dat is een soort ster die voor mij straalt. Waarschijnlijk zal het een boek worden óver Het Onmogelijke Boek, omdat dat natuurlijk niet te schrijven is. Het zal gaan over de oplossing voor het probleem van de tijd. Eigenlijk verwacht ik dat zal blijken dat de tijd simpelweg niet bestaat. Dat wordt dus een heel filosofisch boek.’

Wat was een keerpunt in je leven?

‘Dat was het moment waarop ik Mirjam, mijn vrouw, leerde kennen – 29 jaar geleden. Ik was toen 28 en had de gedachte aan een vaste verhouding uit mijn leven gebannen. Ik wilde reizen en tijdens mijn reizen schrijven. Ik zat in die tijd vaak in Italië. Ik leefde in pensionkamertjes, gaf heel weinig geld uit en had een heerlijk leven.

Maar ja, toen ontmoette ik dus Mirjam, die ene vrouw over wie mijn gevoel zei: “Deze en geen ander.” We zagen elkaar voor het eerst op een verjaardagsfeestje, en bleven aan het einde van de avond als laatsten over. We hadden meteen een heel gesprek, onder meer over hoe we tegen de dood aankeken. Niet echt een onderwerp voor een verjaardagsfeestje, zou je denken, maar doordat we zo’n grote zielsverwantschap bleken te hebben, kón dat gewoon. Ook al ging het over de dood, het was geen somber gesprek, nee, het voelde juist fantastisch en verliefd.

Aanvankelijk zette ik mijn oude leventje nog een tijdje stug voort, en ik overwoog zelfs de verhouding à contrecoeur op te zeggen, maar dat lukte me niet. Ik vond Mirjam te bijzonder om te laten lopen. Toen zijn we samen in Amsterdam gaan wonen en kregen we een zoon. Door met Mirjam voor anker te gaan is mijn leven rustiger geworden. Dat is goed geweest voor het schrijven. Ik kreeg een vaste schrijfplek, en die heb je wel nodig als je een hele romancyclus wilt voltooien. Onder Mirjams hoede heb ik boeken kunnen afmaken die anders nooit af waren gekomen.’

Wat zou je willen veranderen?

‘De afstompende hebzucht in de wereld. En dan heb ik het niet over het soort hebzucht dat onder de gemiddelde vvd’er in Nederland heerst. Laat ze maar, ik gun het ze, denk ik dan. Nee, waar ik op doel, zijn de vieze pooiers in Hongkong die hebben bedacht dat er een of ander afrodisiacum in de pulp van een neushoorn zit. Daar laten ze die prachtige, bijna bovenwereldlijke, prehistorische fabeldieren voor afknallen, opdat ze voor een hoop geld hun vieze potjes kunnen verkopen. Van olifantenslagtanden worden in Hongkong Venetiaanse gondels-uit-één-stuk gesneden die je op je schouw moet zetten. Of neem Borneo, daar kunnen de apen geen kant meer op doordat hele oerwouden voor de landbouw worden afgebrand. Om die apen het schreeuwen te beletten, worden ze maar doodgeschoten.

En dat alles voor geld, geld, geld. Geld is iets wat in geen enkel opzicht bevredigt, en daarom gaat die stompzinnige hebzucht maar door. Hebzucht die ons dus uiteindelijk onze fabeldieren zal ontnemen. De wereld zal heel leeg worden.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Ik moet zeggen dat het sinds mijn vijftigste vooral erg meevalt. Ik zag er erg tegenop vijftig te worden, omdat ik in de veronderstelling verkeerde dat het alleen maar minder zou worden met mijn hersencellen. Ik dacht altijd: dat breekt alleen maar af. Maar dat is een misverstand, zo blijkt nu ook uit wetenschappelijke studies. Sinds mijn vijftigste is het alsof ik veel meer toegang heb tot mijn creatieve vermogens.

Ik denk dat het met efficiëntie te maken heeft. Als je ouder wordt, krijg je meer ervaring en verlies je minder tijd doordat je meer rechtstreeks op je doel af gaat. Ik durf nu eerder een extreem beeld of een extreme zin neer te zetten en hoef van mezelf niet meer eerst een genuanceerd portret van een romanpersonage te schilderen. Ik hoef het allemaal niet meer uitputtend te behandelen, ik mag dingen overslaan. Ik weet inmiddels dat die toch wel worden opgevuld in het hoofd van de lezer.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Wat ik altijd vreesde, was dat als je elkaar steeds beter leerde kennen, het bekende fenomeen van de sleur zou intreden. Veel huwelijken heffen zichzelf daardoor op een natuurlijke, organische manier op. Wat dat betreft zijn huwelijken net huisdieren: je overleeft ze een paar keer.

Voor mij zou het extra wrang zijn als mij zoiets zou overkomen. Ik hád namelijk al besloten geen verhouding aan te gaan in mijn leven, en toen ik dat gevoel van “deze en geen ander” kreeg, heb ik daarvoor mijn leven radicaal moeten omgooien. Als het dan allemaal eindigt in sleur, ruzie en uiteengaan, rijzen de haren je natuurlijk te berge.

Gelukkig is tussen Mirjam en mij het tegendeel gebeurd. In plaats van steeds gewoner voor elkaar te worden, zijn wij verlegener tegen elkaar geworden. De onwennigheid tussen ons is groter geworden. We zijn elkaar weer gaan benaderen zoals in het begin.

Dan moet je denken aan een bepaalde onhandigheid. Dat je bijvoorbeeld ’s avonds naast elkaar op de bank zit en dat het allemaal niet meer zo vanzelfsprekend is. Je wilt haar liefkozen maar je denkt: “Is ze daar nu wel aan toe?” Ik durf het haar op zo’n moment ook niet te vragen. Je gaat elkaar meer ontzien, je flapt er niet meer zomaar van alles uit, je leert je naar elkaar in te houden. Daardoor kan de tederheid weer een coup plegen; een tijdlang heeft die zich koest gehouden en verdomd, daar is hij weer.

Je hoort vaak om je heen dat de sleur het begin van het einde was. Slechts heel af en toe zie je mensen die daar toch een vorm voor hebben weten te vinden. Ik ben van plan het allemaal nog eens een keer te formuleren in een roman: de wonderlijke wijze waarop dat huwelijk van ons zichzelf behouden heeft.’

Meer weten

– De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk, Ernst Bohlmeijer e.a., (Bohn Stafleu van Loghum, € 39,50).

– Binnenkort verschijnt De verhalen die we leven, een nieuw boek van Bohlmeijer over de narratieve psychologie als methode (Boom, € 32,50).[/wpgpremiumcontent]