‘Huidskleur doet er niet toe’ met dit soort uitspraken proberen veel ouders te voorkomen dat hun kinderen vooroordelen en racistische denkbeelden ontwikkelen. Een andere veel toegepaste strategie is de verschillen tussen mensen gewoonweg niet te benoemen.

Training

Training Positief opvoeden voor puberouders

  • Positief contact maken met je kind
  • Omgaan met je eigen emoties én die van je kind
  • Afspraken maken en grenzen stellen
Bekijk de training
Nu maar
€ 79,-

Beide zonder succes, zegt Judi Mesman, hoogleraar maatschappelijke vraagstukken jeugd aan de Universiteit Leiden. ‘Iedereen is vooringenomen en dat draag je onbewust toch over op je kinderen.’

Mesman doet al jaren onderzoek naar hoe ouders en leraren de denkbeelden van kinderen over huidskleur, gender en seksualiteit beïnvloeden. Eind vorig jaar kwam haar boek Opgroeien in kleur. Opvoeden zonder voordelen uit.

Veel mensen denken dat jonge kinderen helemaal niet naar huidskleur kijken. Klopt dat dus niet?

‘Nee, al op jonge leeftijd delen kinderen mensen in groepen in op basis van bepaalde kenmerken. Zo weten twee- tot driejarigen heel goed welk speelgoed volgens de maatschappelijke normen voor jongens of voor meisjes is.

Vanaf een jaar of vijf zijn ze positiever over mensen uit hun eigen etnische groep dan over anderen. Dat is nou eenmaal een menselijke eigenschap. Evolutionair zit het diep in ons om te denken dat je iemand van de eigen groep kunt vertrouwen en dat anderen misschien een gevaar vormen.’

Maar het leidt ook tot racistische vooroordelen?

‘Iemands huidskleur of het dragen van een hoofddoek speelt al vroeg een rol als kinderen moeten kiezen naast wie ze willen zitten of wie er op hun feestje mag komen, blijkt uit onderzoek dat wij hebben gedaan onder kinderen tussen de 5 en 10 jaar oud.

Ze kiezen voor het overgrote deel voor kinderen die op hen lijken; bekend maakt bemind. Witte kinderen die in de meerderheid zijn, doen dat het meest. Kinderen die tot een minderheidsgroep behoren, hebben ook zo’n zogenoemde ingroup bias, maar veel minder sterk.

Dat komt doordat ze als minderheid omringd zijn door mensen die er anders uitzien dan zijzelf. Voor hen zijn die daardoor minder onbekend dan andersom. Witte kinderen op een gemengde school hebben om die reden doorgaans ook een lagere ingroup bias.’

Mijn witte zoontje had op de basisschool een zwart vriendje, geadopteerd door een wit gezin. Met andere kinderen van kleur ontstonden minder makkelijk vriendschappen. Gaat het niet meer om cultuur dan om huidskleur?

‘Hoe meer je herkent bij de ander, hoe groter de kans op een klik. Cultuur speelt dus zeker mee. Als een zwart jongetje uit bijvoorbeeld een Surinaams gezin net iets anders praat en niet op dezelfde voetbalclub zit, dan is het gat dat overbrugd moet worden groter dan bij dat zwarte jongetje dat in een wit gezin opgroeit en dezelfde hobby’s heeft als zijn witte vriendjes. Huidskleur is zeker niet de enige factor, maar vergt een extra stap om je verbonden te voelen.’

‘Opvoeden zonder vooroordelen kan niet,’ schrijft u op de eerste bladzijde van uw boek. Maar het is wel de ondertitel. Hoe zit het nou?

‘Helemaal opvoeden zonder vooroordelen kan niet, want die heeft iedereen. Het is een menselijke eigenschap die helpt om wat je waarneemt te ordenen en te categoriseren om zo de wereld beter te begrijpen en ook om gevaar vroegtijdig te herkennen.

Als we denken: paddenstoelen kunnen giftig zijn, of: mensen die kuchen, zijn misschien besmettelijk, heeft dat een functie. Alleen zijn we geneigd ook mensen op basis van uiterlijke kenmerken te categoriseren en dat is niet per se functioneel, maar kan dus leiden tot racisme.

Ouders kunnen bewust dingen doen om hun vooroordelen niet op hun kinderen over te dragen en het ontstaan van vooroordelen bij hun kinderen te beperken.’

Het is ook een diep-menselijke eigenschap, zegt u. Die zal niet snel veranderen.

‘Maar je kunt je eigen groep wel groter maken. Het belangrijkst is dat je je bewuster wordt van je eigen vooroordelen, dat is de eerste stap naar gedragsverandering. Laat je kind zien dat je openstaat voor anderen.

Praat ook eens met ouders met een andere afkomst op het schoolplein. Laat je kind met iemand buiten het eigen groepje spelen. Misschien vindt hij het gek dat hij daar zijn schoenen moet uittrekken, maar misschien heeft hij er ook een heel leuke middag.

Training

Training Ontspannen opvoeden

  • Ontdek hoe je als ouder positief en relaxed blijft
  • Omgaan met de emoties van je kind
  • Voor ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd
Bekijk de training
Nu maar
€ 79,-

Zit direct contact er niet in, verdiep je dan in andere werelden en culturen door bijvoorbeeld boeken en films.’

Dat kan misschien ook averechts werken. Wie het boek van Lale Gül leest, waarin ze weinig heel laat van haar orthodox islamitische familie, kan ook denken: die Turken leven echt in een andere eeuw.

‘En dat is precies waar het zo vaak misgaat. Je kunt naar aanleiding van het boek van Gül hoogstens denken: die ouders en andere leden van de subcultuur waarin zij zich bewegen, gedragen zich afschuwelijk.

Maar je kunt hun gedrag niet projecteren op alle Turken; dat is racisme. We lezen ook over afschuwelijke mensen in de boeken van Arnon Grunberg. Dan denken we niet: wat zijn Nederlanders toch een smeerlappen! Bij groepen die je kent, zie je de ellende als een individuele uitwas.’

Als je niets doet, je afzijdig houdt, geef je ook een boodschap af, schrijft u.

‘Neutraliteit bestaat niet bij dit onderwerp. Als jij zegt: ‘Ik heb het er gewoon niet over, want dan breng ik mijn kind ook niet op ideeën,’ heeft dat een effect. Wij hebben onderzocht wat de gevolgen zijn als ouders met hun kinderen niet of wel over verschillen praten.

Die laatste groep benoemde dan alleen dat kinderen er anders uitzagen, uit een ander land kwamen, of een andere religie hadden, niet wat zij daarvan vonden. Kinderen uit gezinnen waar dit alles niet werd benoemd, bleken meer vooroordelen te hebben dan kinderen van ouders die er wel over praatten.’

Als je wilt dat je kind minder vooroordelen heeft, moet je het dus vooral over de verschillen hebben?

Je kunt wel goed bedoeld zeggen dat iedereen hetzelfde is of dat het niet uitmaakt welke huidskleur je hebt, maar dat is niet de realiteit. Er zijn verschillen in hoe mensen behandeld worden op basis van hun huidskleur.

Als je die niet benoemt, ontken je dat en daarmee ontken je racisme ook. Daarmee sluit je de deur naar een gesprek daarover en houd je het in stand. Wie wil bijdragen aan een gelijkwaardigere samenleving, móét racisme erkennen, benoemen en erover praten.’

Mensen vinden het lastig om het erover te hebben. Het luistert ook best nauw. Dan hoor je dat je ‘wit’ moet zeggen in plaats van ‘blank’, en ‘zwart’ in plaats van ‘donker’. Vervolgens zeggen mensen van kleur zelf: ‘Ik ben niet zwart, maar bruin.’

‘Veel mensen mijden het onderwerp inderdaad uit angst om het verkeerde te zeggen en onbedoeld racistisch over te komen. Het laat zien hoe gepolariseerd het debat is. Maar het is belangrijk dat we het erover hebben, inclusief het ongemak. Dat hoort erbij.’

Als ik het over ‘die donkere mevrouw daar’ heb, om aan te geven wie ik bedoel, is dat dan oké of stop ik haar in een hokje?

‘Huidskleur benoemen is vooral een goed idee als het simpelweg relevant is. Stel dat er één zwart jongetje in de klas van je kind zit en je wil iets over dat jongetje zeggen, maar je weet zijn naam niet.

Dan is het raar om eromheen te draaien: ‘Dat jongetje dat bij het raam zit, dat ook weleens bij voetbal komt kijken, je weet wel…’ Op die manier wordt huidskleur een taboe, iets wat er niet mag zijn. Huidskleur is in die context geen hokje, maar een objectieve werkelijkheid die recht doet aan diversiteit.’

Veel kinderboekjes waarin het onderwerp op een speelse en educatieve manier wordt gebracht, slaan alsnog de plank mis, schrijft u. Wat moet je daar als ouder mee?

‘Hoe meer je je erin verdiept, hoe meer je het herkent als iemand de plank misslaat. Dat is geen reden om zo’n boekje dan niet voor te lezen. Het biedt juist een kans om het erover te hebben.

Neem Kikker en de vreemdeling van Max Velthuis, waarin de vreemdeling een rat is die eerst iets geweldigs moet doen om alsnog geaccepteerd te worden door de groep.

De rat is ongelukkig gekozen omdat vreemdelingen door mensen met racistische denkbeelden vaak als ongedierte worden neergezet. En met een kleiner kind kun je erover praten dat het eigenlijk heel oneerlijk is dat de rat er pas bij hoort als hij iets heel bijzonders doet.

Zo zijn er tal van aanleidingen om het over ongelijkheid en racisme te hebben. Kinderen horen over gebeurtenissen rond dit thema via het Jeugdjournaal of maken zelf dingen mee, en hebben vaak vragen. Bijvoorbeeld: ‘Papa, waarom zijn die mensen in Amerika zo boos op de politie?’ na de dood van George Floyd.

Het zijn vaak lastige vragen, maar het is goed er serieus op te antwoorden in plaats van snel over iets anders te beginnen of je er met een kort half-antwoord vanaf te maken. Zeker als kinderen er zelf over beginnen: dát zijn de leermomenten.’

En waar kun je als ouder concreet op letten bij wat je zelf doet of zegt?

‘In dagelijkse gesprekken is het belangrijk om kritisch te kijken naar je eigen taalgebruik: wanneer gebruik je bijvoorbeeld de term ‘gewone Nederlander’? Meestal bedoelen mensen daar een witte Nederlander mee.

Daarmee worden Nederlanders van kleur onbedoeld als niet-gewoon bestempeld. En zeg je dat mensen van kleur zich gediscrimineerd voelen of zeg je dat ze gediscrimineerd worden? Dat soort woordgebruik maakt enorm uit voor de boodschap die je kinderen meegeeft.’

U richt zich in uw boek vrij expliciet op witte ouders. Waarom?

‘Het boek is in principe voor alle ouders, want iedereen heeft vooroordelen. Er staan ook specifiek tips in voor ouders van kleur. Maar uit onderzoek blijkt dat in witte gezinnen veel minder over raciale verschillen en vooroordelen wordt gepraat dan in gezinnen van kleur.

En dat in witte gezinnen veel meer twijfels leven over hoe het bespreekbaar te maken. Logisch, want mensen van kleur hebben er in de praktijk veel meer mee te maken dan witte mensen en ondervinden de gevolgen ervan.’

U bent zelf ook van kleur, kreeg u als kind vaak dingen te horen als: ‘Ga terug naar je eigen land’? Komt daar uw gedrevenheid op dit vlak vandaan?

‘Ik heb zeker te maken gehad met discriminatie, maar mijn sociaal bewustzijn komt vooral door mijn opvoeding. Mijn ouders waren in hun werk veel bezig met gemarginaliseerde groepen, dus dat kregen mijn zussen en ik zeker mee. Maar in mijn eigen werk kreeg het pas later een rol.

Ik deed onderzoek naar opvoeding en kinderen met gedragsproblemen en het viel mij op dat er weinig literatuur bestond over opvoeding in gezinnen van kleur en er een totaal gebrek was aan zicht op opvoeding in andere culturen. Zo verlegde ik mijn focus naar meer multiculturele maatschappelijke opvoedvraagstukken.’

Wordt u ook nu nog vaak gediscrimineerd?

‘Ik heb meer last van vrouw zijn dan van mijn kleur. Hoe hoger je komt op academisch niveau, hoe meer dat een rol speelt. Je wordt steeds meer een minderheid. Maar voor andere wetenschappers van kleur is het echt anders dan voor iemand die Indisch is zoals ik.

Voor witte Nederlanders zijn Indische mensen cultureel veel dichterbij dan andere groepen van kleur. En anti-zwart racisme is vaak veel sterker dan andere vormen van racisme. Als ik het hard formuleer: ik mag meedoen, omdat ik niet té anders ben.’

Judi Mesman (1974) is psycholoog en doet als hoogleraar onderzoek naar de overdracht van sociale normen en gedragspatronen tussen generaties in verschillende culturen.

Daarnaast is ze decaan van het Leiden University College in Den Haag. Voor haar onderzoek naar opvoeding en diversiteit ontving ze het afgelopen najaar de NWO Stevinpremie, een prijs voor wetenschappelijk onderzoek met een maatschappelijke impact, waaraan een bedrag van 2,5 miljoen euro verbonden is.

November vorig jaar verscheen haar boek Opgroeien in kleur. Opvoeden zonder vooroordelen (Balans, € 22,99).