Ontwikkeling

Tussen 33/4 jaar en 41/2 jaar leren kinderen generaliseren en verbanden leggen, legt ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet uit in zijn nieuwste boek. Kinderen vragen dan bijvoorbeeld niet meer bij elke vogel of die óók eieren legt, maar gaan snappen dat álle vogels eieren leggen. Vervaet volgde twintig kinderen tussen 3 en 8 jaar, sprak met ze en liet ze opdrachtjes doen. Hij ontdekte drie typerende kindergedachten die met deze denkstap samengaan:

> Poep is grappig. Dit is de bekende ‘poep-en-piesfase’. Nu kinderen het verband hebben gelegd dat poep en plas in de wc horen, wordt het ineens grappig om daarvan af te wijken: de pindakaas op je boterham is poep, je glas appelsap is plas, haha.

> Alle oma’s breien truien. Het kind generaliseert te ver door: als oma een trui breit, breien álle oma’s truien, en als het een keer regende tijdens een weekendje in Drenthe, regent het altijd op vakantie.

> Lang is oud. Kinderen in deze fase hebben nog geen goed tijdsbesef, maar leggen al wel verbanden. Zo gaat leeftijd in hun ogen niet samen met tijdsverloop, maar met hoe groot je bent. Je kunt elkaar dus inhalen in leeftijd als je harder groeit, en volwassenen blijven even oud omdat ze niet meer groeien

– denken ze.

Naar school. Psychologie van 3 tot 8, door Ewald Vervaet. Uitgeverij Ambo, € 19,95.