Toen mijn dochter drie dagen oud was, stopte ik voor het eerst mijn pink in haar mondje. Ze begon druk te sabbelen en stopte acuut met huilen. Ideaal. Totdat twee dagen later bleek dat ze de borst niet meer hoefde. Een typisch geval van ‘tepel-speen­verwarring’, verzuchtte de verloskundige.

Training

Ontspannen opvoeden

  • Ontdek hoe je als ouder positief en relaxed blijft
  • Omgaan met de emoties van je kind
  • Speciaal ontwikkeld om te volgen op mobiel
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Had ik daar dan nog nooit van gehoord? Het stond toch echt in alle boeken. En was ik niet vóór de geboorte al bij een lactatiekundige geweest? Blijkbaar had ik met een betere voorbereiding kunnen weten dat je baby’s pas als ze twee weken oud zijn een speen of pink mag aanbieden om op te sabbelen.

Ook het familiewiegje dat al generaties meeging, bleek niet goed. De linnen binnenbekleding zou kunnen leiden tot verstikking. Beter was een bedje met spijlen (afstand 4½ tot 6½ cm), waarin het kindje als een soort wentelteefje een paar keer per nacht omgedraaid moest worden. Ik was nog geen week moeder, maar ik was beland in de wereld van het falende ouderschap. En daar zou ik voorlopig niet meer uitkomen.

Stimuleren als dagtaak

Het opvoeden van kinderen is een kwestie van het bevredigen van basisbehoeften: geef ze eten en drinken, zorg voor een warm bedje, poets hun tandjes, voorkom dat ze in de vijver vallen, neem ze af en toe op schoot en schuif ze wat speelgoed toe, dan komt het alle­maal wel goed. Toch is dit voor de meeste mensen wat al te basic. De moderne ouder (vooral moeder) is dan ook druk in de weer met het stimuleren van de lichamelijke, emotionele en cognitieve ontwikkeling van haar kind. Want dat kind moet later natuurlijk wel succesvol zijn.

‘Goede moeders’ zijn moeders die 24 uur per dag klaarstaan voor hun schatjes. Ze brengen ze van zwem­les naar voetbal en van voetbal naar de circusclub (heus niet overdreven als je bedenkt dat één op de zeven kinderen tegenwoordig te dik is, dat teamsport goed is voor de ontwikkeling van groepsgevoel, dat kinderen zo op een speelse manier leren omgaan met winst en verlies én dat lichamelijk actieve kinderen beter presteren op school).

Aan tafel worden zoveel mogelijk zelf gekookte, verantwoorde maaltijden geserveerd (bij voorkeur biologisch geteeld), en als er vriendjes willen blijven eten, is dat geen probleem. Tijdens de dis worden goede gesprekken gevoerd (het is immers belangrijk om te weten wat er in je kind omgaat, en het uitwisselen van ervaringen versterkt het zelfvertrouwen). Als er iemand jarig is, wordt tot diep in de nacht gewerkt aan een originele traktatie (je kind kan tenslotte niet onderdoen voor dat klasgenootje dat piratenbootjes van komkommer uitdeelde met een zeiltje van eikenbladsla).

Natuurlijk wordt er iedere avond voorgelezen, helpt moederlief met huiswerk, neemt ze actief deel aan ouderavonden en is ze present als er ‘creatieve dagen’ worden georganiseerd op school (muziek, toneel en knutselen stimuleren de psycho­sociale ontwikkeling). En dat allemaal náást haar eigen hobby’s, sport, liefdesleven, avondjes met vrienden en – o ja! – haar werk.

Hyperparenting wordt deze grenzeloze ouder­lijke verzorging genoemd. Dat de moderne moeder inderdaad een beetje hyper is, blijkt ook uit onderzoek. Ondanks haar betaalde baan is ze namelijk meer tijd kwijt aan haar kinderen dan de thee-met-kaakjes-huisvrouw van vroeger. En daar wordt ze niet gelukkig van: zo’n 70 procent van de moeders ervaart het ouderschap als extreem stressvol. Wat bezielt de moderne moeder? Waar komt die grenzeloze toewijding (die niet eens gelukkig maakt) toch vandaan?

Frustraties

Een eerste verklaring voor het troetelgedrag van moeders is schuldgevoel. De moderne vrouw heeft geleerd dat een succesvolle loopbaan belangrijk is, maar ze wil haar kinderen tegelijkertijd een goede, liefdevolle opvoeding geven. Stel je voor dat ze iets tekortkomen omdat mama zo nodig aan haar carrière moest bouwen! Buiten kantoortijden zet ze dan ook alles in werking om de schade ten opzichte van thuisblijfmoeders te beperken.

Toch komt ook de huismoeder er niet altijd goed af. Zij heeft weliswaar alle tijd voor haar kinderen, maar dat kan ook maken dat ze al haar ambities richt op het moederschap. Volgens de Amerikaanse journaliste Judith Warner, auteur van het pas verschenen boek Gekkenwerk. Moederschap in een tijd dat het beste nog niet goed genoeg is, trappen met name deze vrouwen daarom nogal eens in de valkuil van de ‘moedercompetitie’.

Denk aan dames die elkaar aftroeven door zonder feestelijke aanleiding vriendjes in de bakfiets te laden voor een picknick, sublieme sinterklaassurprises te maken en originele kinderfeestjes te ­organiseren (een piratenpartijtje met rondvaart voor de jongens en een prinsessenfeest op de ponyclub voor de meisjes). Stuk voor stuk energie vretende activiteiten die nauwelijks cognitieve bevrediging opleveren. Maar voor de kinderen is het leuk. Toch?

Nee, niet altijd. Overbetuttelde kinderen raken verwend en kunnen zichzelf niet goed vermaken. Ze leren niet hoe je de verveling kunt verdrijven met je eigen fantasie of hoe je kattenkwaad uithaalt: juist de dingen die kinderen voorbereiden op avontuurlijk ondernemerschap of een kunstzinnig beroep. De papa’s in kwestie dan? Die hebben het toch wel goed voor elkaar? Weer mis. Huwelijken van ‘supermoeders’ staan vaker dan gemiddeld onder druk: alle gezinsenergie gaat naar de kinderen en vader heeft het na­kijken.

Louis Tavecchio, bijzonder hoogleraar opvoed­kunde aan de Universiteit van Amsterdam, verklaart de frustraties van zowel thuisblijfmoeders als die van carrièremoeders uit de onzekerheid over maatschappelijke verwachtingen. Tavecchio: ‘Door de emancipatie van de laatste decennia is het traditionele rollenpatroon dat gedurende miljoenen jaren evolutie is opgebouwd, ruw verstoord. Opeens willen vrouwen behalve verzorgen ook zelfstandig zijn, carrière maken, materieel goed boeren en wat niet al. Die botsing tussen moderne wensen en oerdriften maakt vrouwen, of ze nou werken of niet, onzeker.’

Wat hyperouderschap ook in de hand werkt, is het dalende aantal kinderen per huishouden. Tavecchio: ‘Het gemiddelde kerngezin bestaat nu uit 1,8 kind, terwijl men er vroeger rustig een stuk of acht had. Daardoor zijn onze verwachtingen tegenwoordig ook hooggespannener dan vroeger. Werd Jantje geen dokter, dan kon Pietje, Keesje, Marie of Elsje altijd nog zorgen dat de eer van de ­familie werd hooggehouden. Nu moeten al onze dromen waargemaakt worden door dat ene kind. En hoe doe je dat? Door je kind te coachen en zijn leven te regisseren.’

Het maakbare kind

De wens om je eigen leven en dus ook dat van je kind te regisseren, wordt ondersteund door verschillende deskundigen die in boeken en tijdschriften de ‘maakbaarheid’ van het kind benadrukken. Kinderen worden niet slim, emotio­neel stabiel, sociaal vaardig en creatief geboren, maar kunnen dat met de juiste omgevingsinvloeden wel worden. De perfecte opvoeding zou dus vanzelf een perfect kind moeten opleveren. Dat geeft een prettig gevoel van controle. Maar het betekent ook dat een minder perfecte opvoeding leidt tot een minder perfect kind – en dat is niet zo prettig.

Een van de grondleggers van deze deterministische visie is John Bowlby, die in de jaren zestig en zeventig onderzoek deed naar de manier waarop kinderen zich hechten. Volgens Bowlby zijn gebeurtenissen vanaf dag één van ons leven bepalend voor de toekomst. Wie niet binnen een paar uur een innige band sluit met zijn kind, kan dat nooit meer goed­maken. Afgeleide van deze theorie is dat je kinderen moet stimuleren om ze te laten presteren. Geen concertpianist zonder Mozart-muziekdoosje.

Het idee dat jeugdervaringen hun sporen nalaten, klinkt eigenlijk ook helemaal niet zo gek. Neem de Roemeense weeskindjes uit de tijd van Ceausescu. Na een gruwelijke weeshuisperiode konden de kinderen rekenen op een liefdevol onthaal in westerse adoptiegezinnen. Helaas kwam de redding voor de meesten te laat: zelfs op latere leeftijd konden ze zich niet goed hechten en gedroegen zich agressief.

Minstens zo schrijnend is het verhaal van het Britse meisje Genie. Zij groeide de eerste 13 jaar van haar leven op in een gangkast, vastgebonden aan een stoel. Toen ze per ongeluk werd ontdekt door een ambtenaar van de sociale dienst, had nog nooit iemand tegen haar gesproken. Taaldeskundigen adopteerden het meisje en probeerden haar alsnog te leren spreken, maar dat lukte niet: de kritieke periode waarin een taal zich in het kinderbrein kan nestelen, was voorbij.

Gewoon is goed genoeg

De Roemeense weeskindjes en Genie zijn overduidelijk het slachtoffer van een gedepriveerde jeugd. Toch menen veel wetenschappers dat het wel meevalt met de kwetsbaarheid van kinderen. Uit het meeste wetenschappelijk onder­zoek blijkt juist dat kinderen behoorlijk veerkrachtig zijn. Van de kinderen met traumatische jeugdervaringen (psychisch gestoorde ouders, zelfmoord van een familielid, uithuisplaatsing, natuurrampen) loopt slechts een heel klein deel blijvende psychische schade op.

Ook voor het idee dat je kinderen cognitief moet stimuleren om ze te laten floreren, is weinig wetenschappelijk bewijs. Volgens sommige onderzoekers werkt kunstmatige stimulatie zelfs averechts: door baby­spraakles en peuterzwemles zouden kinderen overgestimuleerd raken, waardoor ze juist minder informatie kunnen opnemen. Ook zou over­stimulatie op latere leeftijd kunnen leiden tot concentratieproblemen en faalangst.

Hoe valt dit ‘wetenschappelijke bewijs’ te ­rijmen met het gangkastmeisje en de ongelukkige weesjes? Volgens Louis Tavecchio zijn deze voorbeelden, hoe treurig ook, zeldzame uitwassen: ‘Verreweg de meeste situaties zijn liefdevol en uitdagend genoeg om normaal in op te groeien.’

Good enough parenting is volgens ­Tavecchio de sleutel tot een evenwichtige opvatting van het ouderschap. ‘Kinderen hebben een aangeboren neiging om zichzelf te ontwikkelen. Het beste wat je kunt doen, is het tempo van je kind volgen. Geeft het aan dat het wil leren lezen? Dan mag je best gaan oefenen. Heeft het meer belangstelling voor tekenen en buitenspelen? Laat het lezen dan nog maar even zitten. Uiteindelijk leren alle kinderen lezen en schrijven, en worden onnatuurlijke voorsprongen weer ingehaald.’

De Amerikaanse neuropsycholoog Steve Petersen gaat nog een stapje verder. Zijn opvoedadvies? Laat je kind niet opgroeien in een kast, honger hem niet uit en sla hem niet op zijn hoofd met een koekenpan, dan komt het vanzelf goed.

Frustrerend, dat al uw inspanningen eigenlijk voor niks zijn? Misschien wel. Aan de andere kant hoeft u zich voortaan ook niet meer schuldig te voelen als u uw kind een middagje voor de televisie parkeert. Al die opvoedboeken en -tijdschriften kunt u voortaan laten liggen; dat scheelt een hoop tijd. En die kunt u mooi gebruiken voor uzelf.

Meer lezen?

Gekkenwerk. Moederschap in een tijd dat het beste nog niet goed genoeg is, Judith Warner, Uitgeverij Sirene, €18,95[/wpgpremiumcontent]