Op een schaal van 0 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Een vijf. Ik vond het afschuwelijk om kind te zijn. Je moest voortdurend van alles; opruimen, naar bed, naar school… Ik heb maar zitten wachten tot ik dertig werd. En ik werd ook nog eens gepest. Toen ik nog maar net vijf was, ging ik al naar de lagere school. Veel te jong. Ik was bang voor al die oudere kinderen en kon slecht meekomen. Als er teams werden gekozen, ontstond ruzie over wie mij in de groep moest nemen. Niet dat ik het mijn ouders kwalijk neem dat ik zo ontzettend jong al naar school moest. Die wisten ook niet beter, zo vlak na de oorlog had pedagogiek niet de hoogste prioriteit.’

Wat voor kind was u? ‘Ik was heel zoet, ik zat uren te knutselen. Buitenspelen durfde ik niet, voor iedereen was ik bang. Tegelijkertijd was ik vrolijk en druk, en kwebbelde ik tegen ­alles met een temperatuur van 37 graden.’

In wat voor gezin groeide u op? ‘Mijn moeder was verpleegster tot ze haar tweede kind kreeg. Mijn vader werkte zeer tegen zijn zin als leraar Engels. Mijn ouders zaten tijdens de

oorlog als tieners ondergedoken en kwamen jaren later met diezelfde tienermentaliteit weer tevoorschijn. Ze zetten zich hevig af tegen burgerlijke waarden, vormden een heel vrijgevochten en intellectueel gezin. Mijn vader was belijdend atheïstisch. Daardoor duurde het jaren voor ik doorhad dat we joods waren. Ik herinner me ook dat ik op mijn vijfde een gesprek opving over God, en vroeg wie dat was. Terwijl ik op die leeftijd al wel alles wist over seks.’

Naar welke middelbare school ging u? ‘Ik deed gymnasium op het Johan de Witt Lyceum in Den Haag. Dat was toen al berucht omdat er zulke stoute kinderen zaten, maar ik ging erheen omdat mijn vader daar lesgaf. Alles ging in die tijd nog klassikaal, dus iedereen moest wachten op de langzame leerlingen. Ik leerde heel makkelijk en zat elke dag acht uur lang poppetjes te tekenen.’

Eerste zoen? ‘Die was van Eddy Becker, die later bekend werd als diskjockey. We zaten bij elkaar op school. Ik was dertien, een beetje verliefd en vond het vooral tijd om eens te zoenen. Verder maakte het niet zo veel indruk. Bij ons thuis mocht trouwens gewoon worden gevreeën. Daar hoefde de deur niet eens voor op slot. Toen ik zestien werd, gaven mijn ouders me de pil.’

Wat heeft u geleerd van uw ouders? ‘Mijn vader zei altijd: “Je moet je geest meubileren.” Hij vond dat je moest nadenken over de wereld en je hersenen moest voeden. Dat heb ik van hem overgenomen. Van mijn moeder heb ik ordelijkheid en discipline meegekregen. Iedere nacht voor het slapengaan bedenk ik wat ik de volgende dag ga doen. En dat doe ik dan ook.’

En wat doet u absoluut anders? ‘Ik ben veel gezelliger en gastvrijer dan mijn ouders. Ik maak bijvoorbeeld graag uitgebreide maaltijden waar iedereen van geniet. Terwijl mijn ouders voedsel iets laags vonden, dat alleen diende om niet te verhongeren.’

Hoe vaak ziet u uw familie nog? ‘Ik kon het heel goed vinden met mijn vader. Toen hij overleed, sprak ik mijn moeder dagelijks tot haar dood. Mijn broer en zussen spreek ik ongeveer eens per week, en vaker als er iets aan de hand is.’[/wpgpremiumcontent]