Dit vond ze altijd een van de leukste dingen van het vak, vertelde ze. Kijken wat er voorbijkwam, analyseren, de goeie klanten eruit pikken. En daarover lachen met je collega’s, want wat voorbijgangers niet weten (ik wist het ook niet) is dat er tussen twee ramen vaak maar een dun schotje staat. De meiden zitten eindeloos met elkaar te kletsen op hun krukjes, en als iemand een klantje heeft gehad, wordt dat ook uitgebreid geanalyseerd.

We zagen treurige mannen, trotse mannen, enge mannen. Bange toeristen, nieuwsgierige stelletjes, viespeuken. Zij keken ook terug, maar dat wende verrassend snel. ‘Ze beseffen niet dat jij hen veel beter kunt bekijken dan andersom,’ zei ze samenzweerderig.

Ik leerde wat makkelijke klanten waren (oudere getrouwde kerels – ‘die willen ook altijd uitgebreid vertellen hoeveel ze van hun vrouw houden, dat vult dan weer vijf minuten’). Ik hoorde over de klant die jarenlang door de buurt liep met een rolkoffertje achter zich aan. En daar kwamen nu eens geen griezelige attributen uit, maar kekke mantelpakjes van de Bonneterie voor de dames van zijn keuze.

‘Zul je alles wel goed onthouden,’ zei de eindredacteur toen ik maandag terugkwam vol verhalen – wat ik ietwat verontrustend vond, want het mag dan beroerd gaan in de tijdschriftenwereld, dit blad doet het gelukkig goed genoeg om de redactie nog een tijdje uit het rosse circuit te houden. Toch onthield ik alles. Omdat ik iets had geleerd.

Vanuit deze positie kun je heel goed kijken naar de mensen, had ze gezegd. Je ziet hun gezichtsuitdrukking, je kijkt ze in de ogen en je ziet hoe ze over je denken. Dat maakt soms een beetje bitter. Daarom is het niet goed om dit werk al te lang te doen.

Zelf is ze ermee gestopt. Maar wie wil leren kijken door andermans ogen, kan in haar raam terecht.