Hij zegt: ‘Ik heb het leven achter me.’ Tegenover me zit Marten Toonder, de man die Olivier B. Bommel en Tom Poes tot leven wekte. Een geestelijk vader.

Hij is ziek. Nog steeds, ook al komt hij net uit het ziekenhuis: longontsteking. De hoest maakt het spreken moeilijk.

Op 2 mei valt zijn negentigste verjaardag. ‘Dat is vrij oud hoor.’

Er wordt die dag een monument voor hem onthuld, in Rotterdam, zijn geboorteplaats. Het worden beelden van de onsterfelijken: professor Sickbock, markies De Canteclaer, burgemeester Dickerdack, Tom Poes. Figuren uit de wereld van ‘Als u begrijpt wat ik bedoel’, het ‘denkraam’, de ‘minkukel’, de ‘zielknijper’, de ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’.

‘Natuurlijk is het vreselijk lief dat ze dat monument hebben gemaakt, maar het had niet gehoeven.’

Hij ziet niet speciaal uit naar de feestelijke dag. ‘Er is niks flinks aan oud worden. Het is geen prestatie. Het is niets. Het is het einde. Dat gevoel heb ik al een paar jaar. Maar ik heb het geaccepteerd hoor, ik voel me niet zielig. Het hoort nu eenmaal bij het leven dat je achteruit gaat als je ouder wordt.’

Hij had nog plannen, vertelt hij. ‘Ik was bezig een boek te schrijven, maar het is niet eerlijk. Mijn lichaam werkt niet meer mee. Alles aan mij is derde klas geworden. Het is een tweedehands auto waar ik in zit. Ik schei ermee uit.’

De toon is gezet, hier in het Rosa Spier Huis te Laren, waar Marten Toonder sinds kort woont. Boven, op de tweede verdieping, aan het einde van een kale gang, heeft hij zijn bescheiden kamer. Naast de deur herinneren ingelijste portretten van Olivier B. Bommel aan vervlogen tijden. Niet in deze kamer, maar beneden, in de hal, wil hij het gesprek voeren. Het is een stille, lege hal. Aan de ronde en rechthoekige tafels met rieten stoelen zit verder niemand, en buiten valt de avond.

De eenzaamheid

Een slap lichaam, gedrapeerd in een stoel. Zijn ogen staan scherp. Uiteindelijk is hij ergens achter gekomen, zegt hij. ‘Een van de raadsels die ik heb opgelost, is dat het brein niet ouder wordt. Van binnen ben ik altijd dezelfde gebleven. Ik denk dat je als mens geboren wordt met een innerlijke leeftijd die je hele leven hetzelfde blijft. Natuurlijk ontwikkel je je wel, maar de kern, het wezen van de geest, blijft hetzelfde.’

Marten Toonder is een man met een grote binnenwereld. Altijd geweest. Hij is filosoof. Psycholoog. Mysticus. Gelovige. Hij trekt zich graag terug in zijn binnenwereld, zegt hij. Zeker nu, nu hij in het Rosa Spier Huis zit: een kléine wereld. ‘Dat is moeilijk te accepteren. Ik kan niet zeggen dat dit de leukste tijd van mijn leven is. Dat komt ook wel door die geweldige eenzaamheid waar ik in zit. Er zijn weliswaar veel mensen die mij aandacht geven, zoals mijn kleinkinderen en al die mensen die ik niet ken en mij bijzonder lieve, aardige brieven sturen, maar feit blijft dat mijn eigen generatie is gestorven. En de meest nabije mensen om wie ik gaf, zijn gestorven. Zelfs drie van mijn kinderen zijn gestorven. Dan ben je erg alleen.’

Het is een soort instinct geweest, zegt hij, dat hem hielp al die zware verliezen in zijn leven te dragen. ‘Soms vecht je tegen jezelf, maar soms heb je er ook genoeg van en geef je maar even geen aandacht aan de pijn. Maar wat slecht verdraagbaar blijft, is het gevoel van eenzaamheid. Je gevoel heeft namelijk uitwisseling met andere mensen nodig. De ander hoeft het niet met je eens te zijn, als hij maar begrijpt wat je bedoelt. Woorden geven namelijk nooit precies weer wat je wilt zeggen, er zit altijd een gevoel bij. Het is heel essentieel om met iemand te kunnen praten die het gevoel begrijpt dat je in een woord probeert te leggen.’

Het was niet voor niets moeilijk om Eyrefield Lodge vaarwel te zeggen: dat gloedvolle, witte huis aan de voet van de Ierse heuvels, de plek waar hij een eenheid vormde met de anderen in zijn leven. Hij woonde en werkte hij er 36 jaar, en keek er vanachter zijn tekentafel uit over de zee die elke dag anders was. Eerst waren daar Phiny en de kinderen, en nadat zij gestorven was en het gezinsleven voorbij, zijn tweede vrouw Tera. Maar ook Tera stierf, vlak na hun huwelijk. Toen werd Eyrefield Lodge te groot, te onbewoond. ‘Ik was alleen overgebleven. Het huis vroeg om een gezin.’ Hij is er zojuist voor het laatst geweest. Om zijn huisraad op te ruimen en om afscheid te nemen. ‘Dat viel niet mee. Ik had daar een huis vol souvenirs. Maar eigenlijk betekenen die spullen helemaal niks voor me. Materie staat symbool voor gevoelens, zoals woorden symbolen zijn van gevoelens. Eigenlijk is dat de strijd die je je hele leven voert: die tussen materie en geest.’

De wijsheid en de hebzucht

Zijn grote succes begon in de jaren veertig. Het waren de jaren waarin Olivier B. Bommel en Tom Poes, de ‘heer van stand’ en het ‘witte ventje’, volwassen werden. Een bloeiend bedrijf, hij werd de Walt Disney van Europa. Ook toen al probeerde hij te onthechten van het materiële. Maar het lukte niet. ‘Tot je veertigste heb je nu eenmaal de leeftijd dat je dingen wilt opbouwen en dat je je graag hecht: je wilt een mooi huis en dingen kopen die je mooi vindt. Je wilt dat het je materieel goed gaat. Maar naarmate je ouder wordt, ga je meer op zoek naar hoe je er van binnen uitziet, naar hoe je van binnen vooruit gaat. Of dat laatste ook echt lukt, weet je zelf natuurlijk niet, maar je doet je best. Je wordt heel kritisch op jezelf, probeert ervoor te waken dat je niet te materieel bezig bent. Het materiële omzetten in het geestelijke, dat is wijsheid.’

De hebzucht, de hang naar het stoffelijke, die ligt altijd op de loer, en leidt tot oppervlakkigheid en verval van gevoel. Olivier B. Bommel en Tom Poes heeft hij er in hun avonturen op allerlei manieren mee in aanraking gebracht. Er kwamen personages op hun pad die zich lieten leiden door materialistische motieven, net als in de echte wereld. ‘Het stoffelijke leidt vaak tot het Kwade. ‘Ik wil meer land’, ‘Ik wil meer geld’, ‘Ik wil meer juwelen’: in hun jacht naar ‘meer’ doen mensen elkaar de verschrikkelijkste dingen aan. Maar materie is niet wat de geest uiteindelijk tevreden kan stellen. De geest wil iets anders hebben. Als hij dat echter niet kan krijgen, gaat hij zich richten op het materiële.’

Die menselijke geest is niet te vangen, herbergt álles in zich, zegt hij. ‘In mijn verhalen gebruikte ik dieren om eigenschappen van de mens te kunnen uitvergroten. Alle dieren hebben namelijk iets eigens: een katje is vooral snoezig, een hond is vooral ruw, een vos is vooral sluw, ga zo maar door. Het zijn archetypen, oerbeelden van een eigenschap. De mens heeft al die dieren ergens in zich. We zijn zelfs een klein visje geweest, toen we een embryo waren. Dat zie je ook aan de vorm van het embryo.’

Hij heeft geleerd dat die archetypen, die oergevoelens de krachten zijn die ons bewegen. ‘Die heb ik in mijn werk dan ook gestalte proberen te geven. Ik heb mezelf, mijn eigen persoon, daarmee als het ware naar buiten geschreven. De schurk die ik beschreef, was de schurk die in mijzelf zat. Je kúnt eenvoudigweg niet anders dan die schurk in jezelf daarvoor gebruiken, want anders zou je hem niet begrijpen. Waarom is hij bang op een gegeven moment? Waarom is hij juist weer reuze trots op een ander moment? En wat is zijn moraal? Als je er een klein beetje in slaagt om dat levend te maken, dan heb je je werk goed gedaan. Of mij dat is gelukt, zou ik niet durven beweren. Ik vraag het me steeds af, dat wel. Door het op te schrijven, kon ik in ieder geval mijn gevoel vorm geven. Soms lukte het dan om kwijt te raken wat me dwars zat.’

De tweestrijd

Goed en Kwaad, dat is waar alles in het leven op terug te voeren is, zegt de oude meester. ‘Sommige mensen geloven dat als Onze Lieve Heer het voor het zeggen had, onze aarde een en al vrede en lieflijkheid zou zijn. De Leeuw en het Lam zouden samengaan. Dat is iets wat ik nooit heb geloofd, zelfs niet toen ik klein was. Nee, de hele aarde, de hele schepping, het is een tweestrijd: eten en gegeten worden. Bij planten, dieren, mensen, óveral is dat zo. Wat ik wel geloof, is dat er een evenwicht bestaat. Dat evenwicht zorgt voor evolutie, voor de geestelijke ontwikkeling van de mens, en het verhoedt dat je dingen doet die niet goed zijn. Je kunt niet zeggen dat Goed en Kwaad twee aparte werelden zijn. Ze vormen één grote pap. Want wat is Kwaad? Dat is niet precies te definiëren. Er is namelijk bij alles een ‘voor’ en een ‘tegen’, een licht en een schaduw. Je kunt niet zeggen: ‘Schaduw is fout en licht is goed.’ Het gaat juist in elkaar over. Dát steeds meer leren zien, dingen afwegen, het niet-te-snel-oordelen, dat is volgens mij het doel in je leven, als ik al een doel zou kunnen bedenken. Op die manier evolueer je als mens.’

In de schemering van je leven zou je misschien kunnen gaan denken dat je jezelf beter hebt leren kennen na al die jaren. Maar Marten Toonder zou het niet kunnen zeggen. ‘Zelfkennis is moeilijk hoor. Je denkt immers niet gauw iets lelijks van jezelf.’ Wat je misschien wél kunt kennen, zijn je capaciteiten, zegt hij. ‘Als je die weet, kun je eruit halen wat erin zit. Maar belangrijker nog is je intuïtie. Dat is je stuur. Neem je intuïtie serieus! O, de rede denkt weliswaar dat zij alles verzonnen heeft, maar de impuls was er allang voordat je geest woorden vond om hem te beargumenteren.’

Marten Toonders ogen fonkelen, het elan is ongebroken. Maar de hoestbuien laten zijn woorden steeds vaker stokken, en dan kijken we elkaar aan zonder iets te zeggen. Ik had nog met hem willen praten over zijn mystieke ervaringen in Ierland, waar hij onverklaarbare verschijnselen waarnam. En over ‘het hogere’ dat ons lijkt te verbinden via onzichtbare, maar o zo aanwezige kanalen. Ik wilde nog iets vragen over zijn geloof in reïncarnatie, en over de gouden kralen aan zijn ketting van herinneringen: hoe pijnlijk die zijn, nu niemand er meer is.

Maar het is op. Hij had het al gezegd, halverwege ons gesprek: ‘Ik ben er zo langzamerhand aan toe. Ik vind negentig erg oud, en ik vind het oud genoeg. Ik weet dat ik niet veel meer te bieden heb. Dus wat doe ik dan nog op de aarde? Zonde van de tijd. Ik kan mijn tijd beter besteden. Ik wil verder. Dingen doen. Laat mij nu maar een nieuwe auto worden.’ n

• Deze maand verschijnt naar aanleiding van Toonders negentigste verjaardag het boek De kunst van Marten Toonder, met daarin tekeningen, prenten en strips die Toonder in zijn carrière maakte. Daarnaast geven Marcel Möring, Jan Wolkers, M. Februari, H.J.A. Hofland, Jaap van Heerden en Jan Kuitenbrouwer hun visie op het werk van Toonder. Amsterdam: De Bezige Bij,

isbn 90 234 0115 8, prijs: ± € 27,–[/wpgpremiumcontent]