‘Ik wilde naar balletles, maar mijn vader wilde dat ik piano ging studeren. Nou, die fout zal ik niet maken… Mijn zoon zal en moet op balletles!’ Deze grap van Kees van Kooten is minder absurd dan hij lijkt. Iedereen wil zijn kinderen geven wat hij zelf niet heeft gekregen. We willen het beter doen dan onze eigen ouders en meestal lukt dat in grote lijnen. Maar mensen hebben ook blinde vlekken, waardoor de geschiedenis zich dikwijls toch herhaalt. Deze transgenerationele overdracht is een mysterieus fenomeen: ouders geven angsten en andere psychische problemen – vaak onbewust en onbedoeld – door aan hun kinderen. Nakomelingen van concentratiekampoverlevenden worstelen bijvoorbeeld vaak met dezelfde angstsyndromen als hun ouders, terwijl ze lang na de oorlog zijn geboren.

Bij ernstige vormen van verwaarlozing en misbruik is doorgaans duidelijk te zien hoe opvoedkundige fouten worden doorgegeven van de ene generatie op de andere. ‘Ouders die zelf als kind zijn verwaarloosd, geven die rekening vaak door aan hun kinderen’, schrijft familietherapeut Else-Marie van den Eerenbeemt in haar boek De liefdesladder, over families en nieuwe liefdes. ‘Zonder het te beseffen, willen ouders die als kind werden verwaarloosd dat alles wat zij zijn tekortgekomen, wordt goedgemaakt. Ze zoeken naar warmte, aandacht,

liefde. En hun kinderen voelen dat, die voelen die enorme honger van hun vader of moeder en proberen die honger te stillen. Ze geven warmte, aandacht en liefde vanuit hun natuurlijke bron van vertrouwen. Maar hun ouders zijn zo hongerig door de tekortkomingen van hun eigen jeugd, dat ze onverzadigbaar zijn. En hun kinderen, loyaal als ze zijn, blijven maar geven – totdat ze niet meer kunnen. Zij hebben op hun beurt later een rekening te vereffenen met die ouders, omdat hun geven nooit is erkend. En vervolgens moeten hun kinderen het weer bezuren.’

Ouderlijke jaloezie

De meeste opvoedkundige missers zijn echter subtieler dan mishandeling en verwaarlozing, en is het moeilijker om aan te geven hoe en waarom ze worden herhaald. Zelfs volwassenen die op het oog prima functioneren, of die zich goed bewust zijn van hun psychische kwetsuren en zich vast voornemen om hun kinderen daar niet onder te laten lijden, blijken hier soms toch niet in te slagen.

Een vrouw is bijvoorbeeld opgevoed door een kille, emotioneel geremde moeder. Na de geboorte van haar tweede kind gaat ze in therapie. Ze werkt hard aan zichzelf en denkt dat ze haar eigen kinderen meer warmte geeft dan zijzelf vroeger heeft gekregen. Maar als de kinderen de volwassenheid naderen, blijken ze desondanks emotioneel te zijn beschadigd. Die stille jongen is niet gewoon een dromerig type: hij durft zich niet te uiten. Te vaak voelde hij als klein kind hoe zijn moeder in paniek raakte als hij normale, kinderlijke, heftige emoties toonde. En dat onzekere meisje is niet gewoon verlegen – nee, ze weet niet goed meer wat ze zelf wil. Te vaak heeft ze zich vanuit die bodemloze kinderloyaliteit beziggehouden met de behoeftes van haar labiele moeder.

In dergelijke situaties spelen allerlei psychische processen een rol, de meeste onbewust. Een daarvan is ouderlijke jaloezie. Bovengenoemde moeder had de keuze tussen twee kwaden: of ze behandelde haar kinderen net zo kil als zij zelf was behandeld en dan voelde ze zich schuldig – of ze oversteeg zichzelf door meer warmte te geven en dan werd ze jaloers. Haar kinderen, met wie ze zich psychisch gedeeltelijk identificeerde, kregen iets dat zij zelf had ontbeerd, namelijk moederwarmte.

Ook loyaliteit kan een rol spelen. In dat geval willen de nieuwe ouders trouw zijn aan hun eigen ouders. Van den Eerenbeemt: ‘Een vrouw kan het niet loyaal vinden om een betere moeder te zijn dan haar eigen moeder. En dus is ze net zo koud tegen haar kinderen als haar moeder vroeger tegen haar was. Mensen doen dat wel eens als ze geen andere manier hebben om zich te verzoenen met hun ouders. Ze halen zichzelf naar beneden, zodat de ouders in een beter daglicht komen te staan.’

Natuurlijk hebben partners ook een belangrijk aandeel in de opvoeding. De man van een ‘kille’ moeder kan haar helpen om de kinderen warmte en veiligheid te geven, maar hij kan zich ook te sterk tegen zijn schoonfamilie afzetten. Van den Eerenbeemt: ‘Er zijn altijd twee families bij de opvoeding betrokken, de invloeden komen van beide kanten. Soms wil iemand bewijzen dat het ook anders kan dan de partner vroeger thuis gewend was, en schiet hij of zij door naar het andere uiterste: geen kilte, maar een verstikkende warmte.’ De wens om het beter te doen, kan volgens Van den Eerenbeemt veel druk op ouders leggen. ‘Ze vinden dat ze er altijd moeten zijn voor het kind; willen het niets onthouden, en dat houd je niet vol. Wie bijvoorbeeld onvoldoende aandacht kreeg voor schoolprestaties, kan een fanatieke luizen- en voorleesmoeder worden die geen ouderavond overslaat. Maar dat heeft ook een andere kant. Ouders die heel bewust zoveel liefde en aandacht geven, verwachten automatisch dat hun kinderen daar blij mee zijn. Maar zulke kinderen zeggen later bijvoorbeeld: “Mijn moeder zat boven op me, ik kon geen stap doen, ik ontsnapte nooit aan haar aandacht—.’

Drie hechtingsstijlen

Een man werd op zijn derde bij familie achtergelaten, toen zijn alleenstaande moeder naar het buitenland vertrok. Pas jaren later liet ze haar zoontje overkomen. Een traumatische gebeurtenis, maar hij komt er goed overheen. Dan wordt hij zelf vader van een zoontje. Gedurende de eerste levensjaren van zijn zoon heeft hij geen problemen met het vaderschap en is hij teder en zorgzaam. Maar als het jongetje een jaar of drie is, verandert het gedrag van de vader. Hij wordt steeds strenger en is vaak onredelijk. Er komt nog een klein zusje, maar van haar verdraagt de vader alles. Zijn zoon daarentegen irriteert hem. Keer op keer stuurt hij hem boos van tafel. Het jongetje zit dan alleen op zijn kamer, als het ware net zo door de familie verlaten als zijn vader ooit was.

‘Er zijn drie belangrijke hechtingsstijlen die je in de jeugd ontwikkelt en later zelf overbrengt aan de kinderen’, verklaart Marko van Gerven, psychiater bij de Robert Fleury Stichting in Gouda. ‘Dat gedrag is je voorgeleefd, je herhaalt het onbewust. Tot het vierde of vijfde jaar kan een kind zichzelf slecht geruststellen. Het is daarvoor afhankelijk van de opvoeder. Als het huilt en naar moeder wil, maar die moeder is geïrriteerd en maakt een afwerend gebaar, dan raakt het kind gespannen. Bij de eerste hechtingsstijl breken kinderen door deze barrière en besluiten dat ze wel zien wat ervan komt. Soms pakt dat goed uit – de moeder reageert aardig; soms wordt het kind nog harder teruggeduwd. De tweede mogelijkheid is dat het kind niet weet wat het moet doen, en daardoor in een soort trancetoestand raakt. Zulke kinderen kunnen hun ambivalentie geen plek geven. Ze raken verdoofd of vertwijfeld en de angst die dat oproept, is slecht te hanteren. Dit kan leiden tot een ambivalente hechtingsstijl. De derde mogelijkheid is dat het kind genoegen neemt met de afwijzing. Kinderen die in dat patroon terechtkomen, raken gewend aan afwijzing en beginnen het te verwachten. Het worden mensen die zich afhankelijk opstellen.’

Verstoorde groei van de hersenen

De groeiende fysiologische kennis van het ontwikkelende brein helpt te verklaren hoe een traumatiserende opvoeding leidt tot onredelijk oudergedrag als de betrokkene zelf volwassen is. Marko van Gerven: ‘Men dacht vroeger dat kinderen tot hun derde, vierde jaar geen geheugen hebben en niet onthouden wat in die periode gebeurt. Dat heet infantiele amnesie. Dit klopt voor de bewuste herinnering, maar niet voor de stemmingen en gevoelens die bij de ouders zijn waargenomen. Tot het derde levensjaar is de rechterhersenhelft – die met gevoelens te maken heeft – dominant. Baby’s van zeven maanden kunnen de gezichtsuitdrukking van hun moeder feilloos interpreteren. Gelaatsuitdrukkingen, stemintonatie en gebaren zijn veel belangrijker voor een kind dan de bedoeling van de ouders, of hun letterlijke woorden.’ Een jong kind kan niet abstraheren, het denkt niet: ach, dat meent ze niet. Het raakt in paniek en in de hersenen wordt het stresshormoon cortisol afgescheiden. Die stof heeft een remmende, schadelijke werking op de ontwikkeling van het brein.

Na het derde jaar wordt de linkerhersenhelft dominant, zegt Van Gerven. ‘Maar bij kinderen die herhaaldelijk in paniek zijn, stagneert dat ontwikkelingsproces. Abstraheren lukt niet goed; het worden mensen die meer dan anderen zijn overgeleverd aan hun emoties. Een ander gevolg is dat bepaalde verbindingen in de hersenen zich niet goed kunnen ontwikkelen. Bijvoorbeeld verbindingen die de spontane reacties op stress goed dempen. Vrij eenvoudige gebeurtenissen leiden dan tot een onevenredige hoeveelheid stress, waardoor mensen onevenwichtig handelen. Ze denken niet: ik moet streng zijn, maar ik hoef mijn kind niet van tafel te sturen. Dat relativeringsvermogen missen ze. Ze herkennen de oorsprong van hun eigen angst, woede of depressie niet meer en vallen terug op een primitief functioneringsniveau.’

Voor de meeste ouders is het een schok om te beseffen dat ze de fouten van hun eigen ouders hebben herhaald. De schuldgevoelens en de schaamte kunnen onverdraaglijk zijn. Van Gerven: ‘Dat vormt een barrière om naar jezelf te durven kijken. Maar als je daaroverheen komt en wilt zien wat werkelijk is gebeurd, werkt dat buitengewoon heilzaam. Ik ben ervan overtuigd dat je kinderen altijd beschadigt in de opvoeding, maar je moet niet alleen kijken naar die negatieve effecten. De wil om met jezelf te worstelen, te kijken naar je acties en daarover te praten, is van ongelooflijk groot therapeutisch belang. Het is erg belangrijk om met kinderen te communiceren over je eigen gedrag, zelfs jaren later. Opgroeiende kinderen en jonge mensen zijn al veel eerder met alles bezig en kunnen dat heel goed hanteren.’

Op de site

Bent u ontevreden over de opvoeding die u van uw ouders heeft gekregen? Of vond u het eigenlijk wel best? Deze maand op de site een discussieforum over opvoedingsopvattingen. Kijk op psychologiemagazine.nl en praat mee![/wpgpremiumcontent]