Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Marianne Riksen-Walraven: ‘De invloed van vroege ervaringen blijft mij fascineren’

Een paar jaar geleden heeft u heel wat stof doen opwaaien. Zag u uw waarschuwing tegen kindercrèches als een missie?

Nee, ik ben helemaal niet iemand van missies. Ik ben altijd veel meer een observator, een onderzoeker geweest. Maar mijn eerste observatiestudies in kinderdagverblijven maakten al snel duidelijk dat de kwaliteit van vooral de babyopvang soms echt onvoldoende was: baby’s hadden bijvoorbeeld veel te weinig één-op-één interacties met leidsters, terwijl we uit onderzoek weten dat dat in die periode zo belangrijk is voor hun ontwikkeling. In interviews en publieke discussies over de kwaliteit van de kinderopvang bracht ik mijn bevindingen naar voren, omdat ik dat bij mijn taak als hoogleraar vind horen. Maar dat was kennelijk politiek incorrect: ik kreeg meteen de volle laag. Ik werd afgeschilderd als een oerconservatief mens dat alle moeders terug achter het aanrecht wilde. Wat ik natuurlijk helemaal niet wilde, want er is niks erger voor een kind dan een ongelukkige moeder. Maar ik vind wel dat werkende ouders er zeker van moeten kunnen zijn dat hun kind goed wordt opgevangen. Die heibel in de media heeft overigens wel wat opgeleverd.

Eerst was het not done om kritiek te leveren en nu wordt toch algemeen erkend dat met name de babyopvang moet worden verbeterd.

Heeft u uw eigen twee kinderen naar de crèche gebracht?

Ik heb het wat dat betreft gemakkelijk gehad en heb die keuze nooit hoeven maken. Ik had geen baan toen mijn oudste zoon werd geboren. In die tijd heb ik een boek geschreven. Na een halfjaar ben ik een dag in de week gaan werken en dat is geleidelijk opgelopen. Pas toen mijn kinderen het huis uit waren, ben ik fulltime gaan werken. Je merkt dan ook hoeveel ruimte kinderen in je hoofd innemen en hoeveel energie je overhebt als ze de deur uit zijn.

Wat maakt onderzoek naar baby’s en peuters zo boeiend?

Ik ben psychologie gaan studeren omdat ik het gedrag van mensen interessant vond, niet omdat ik kinderen zo leuk vond – dat vond ik toen helemaal nog niet. Maar rond de tijd dat ik me moest specialiseren, begon er net meer onderzoek op gang te komen naar de invloed van heel vroege ervaringen op de ontwikkeling. Ik vond dat fascinerend omdat je vlak na de geboorte de invloed van ervaringen relatief goed kunt zien. Bij hun geboorte weten baby’s nog niets van de omgeving waarin ze zijn terechtgekomen, maar ze hebben een ongelooflijke capaciteit om zich aan die omgeving aan te passen. Wanneer een moeder bijvoorbeeld iedere poging van de baby om contact te zoeken negeert of afwijst, kan die baby de aangeboren neiging om bij stress contact te zoeken, leren onderdrukken. En vervolgens kan die aangeleerde neiging om geen hulp te zoeken en anderen als ontoegankelijk te zien, onbewust worden meegenomen naar nieuwe situaties. Er loopt op dit moment een onderzoek naar moeders die vanaf de geboorte van hun kind depressief zijn geweest. Wat je dan ziet, is dat hun kinderen, wanneer ze zo weinig respons krijgen, zich terugtrekken. Ze reageren niet meer op hun moeder, maken geen contact. Als dan na een jaar de moeder is hersteld, gedraagt het kind zich nog steeds alsof het boos en beledigd is. Ze herinneren zich niets van hun eerdere ervaringen, maar lijken op gedragsniveau en emotioneel niveau zo te zijn geconditioneerd dat ze zich afwenden.

Is de schade die in die beginperiode wordt opgelopen blijvend?

Nee, dat kun je zo niet zeggen – dat probeer je te onderzoeken. Slechte ervaringen in de eerste twee jaar kunnen een basis leggen voor kwetsbaarheid, maar wat me evenzeer fascineert is de enorme flexibiliteit, de veerkracht van kinderen. Je ziet dat bijvoorbeeld aan de Roemeense kinderen die over de hele wereld zijn geadopteerd en in hun ontwikkeling worden gevolgd. Ze hebben in hun eerste levensjaar echt helemaal niks gehad, en toch is er een aantal kinderen waar het echt goed mee gaat. Het is net zo belangrijk te kijken naar die kinderen als naar de kinderen die het niet redden.

Heeft u voor ogen wat u in de komende tien jaar nog wilt bereiken?

Ik heb in mijn leven eigenlijk nooit zoveel gepland. Ook in mijn werk niet: het ene project komt voort uit het andere en hoe dat loopt, valt niet te voorzien. De vraag naar de invloed van vroege ervaringen zal in mijn onderzoek wel altijd de belangrijkste blijven: welke ervaringen werken wel en welke werken niet door, en hoe komt dat? Dat blijft mij fascineren. En ik vind het heel leuk als studenten door mijn colleges voor ontwikkelingspsychologie kiezen. Dan heb ik iets van mijn enthousiasme voor het vak kunnen overdragen. n[/wpgpremiumcontent]