Twee Amerikaanse psychologen zochten dat uit door 3- tot 5-jarigen een verhaaltje met een ‘echte’ hoofdpersoon voor te lezen of eentje rond een fantasiefiguur. In beide verhaaltjes loste het personage twee problemen op: hij verschool zich achter iemands rug zodat diegene hem niet zag, en hij bemachtigde iets door het met een touw naar zich toe te trekken. Na het voorlezen schotelden de onderzoekers de kleintjes twee soortgelijke probleemsituaties uit ‘het echte leven’ voor.

Wat bleek? Peuters die naar het ‘echte’ verhaaltje hadden geluisterd, kwamen significant vaker met een goede oplossing dan peuters die over een fantasiepersoon hadden gehoord. Van de laatste groep bleken vooral de hummels die zelf vaker in een fantasiewereldje vertoefden – bijvoorbeeld doordat ze denkbeeldige vriendjes hadden – de vertaalslag naar het echte leven niet te maken.

Misschien wel zo’n veilig idee, zegt het onderzoeksduo: je wilt natuurlijk niet dat kleintjes denken dat ze, net als Superman, kunnen vliegen…

Preschoolers’ quarantining of fantasy stories, Child Development, juli/augustus 2011