Zij namen meer dan duizend vragenlijsten af bij kinderen van acht tot dertien jaar die gedurende twee weken in een zomerkamp verbleven. Het blijkt dat de kinderen heimwee op twee manieren te lijf gaan. De ene groep probeert het onbehaaglijke gevoel rechtstreeks te verslaan. Zij praten erover met vrienden en denken eraan dat het kamp over twee weken weer afgelopen zal zijn. Een enkeling probeert zelfs een streek uit te halen waarvoor hij naar huis gezonden zal worden. De andere groep is meer geneigd de situatie van het kamp te accepteren zoals die is. Zij missen hun thuis, maar proberen aan dit knagende gevoel te ontsnappen door afleiding te zoeken. Ze dompelen zich zoveel mogelijk onder in de leuke dingen die tijdens het kamp te beleven zijn. Volgens Thurber en Weisz leidt de tweede strategie tot de beste resultaten. Kinderen die proberen de heimwee niet toe te laten en er het beste te maken, hebben het meeste plezier tijdens de twee weken en merken dat heimwee niet onoverkomelijk is. Bovendien leren kinderen van eerdere ervaringen. Wie vaker weg is geweest van huis, kan de heimwee steeds beter de baas.

Een andere zelfpromotietechniek is het ‘sturen’ van de interpretatie door anderen van je prestatie. Dat moet met voorzichtigheid gebeuren, maar een te grote bescheidenheid is ook niet goed. Als iemand een buitengewone prestatie levert en vervolgens zegt ‘Och, het was niets’, wordt dat al gauw arrogant gevonden. Dat is weer sterk afhankelijk van hoe goed de toeschouwers op de hoogte zijn van je vaardigheden. Als ze weten dat je ergens goed in bent, dan kun je het je permitteren om heel bescheiden te doen, bijvoorbeeld door te zeggen dat anderen je hebben geholpen bij een bepaalde prestatie. Zoiets maakt een aardige indruk, en de toeschouwer is toch al overtuigd van je bekwaamheid. Maar als anderen minder informatie hebben over je talenten, dan is bescheidenheid niet erg effectief en is het raadzaam om een goede prestatie meer naar je toe te trekken. Je verzwijgt bijvoorbeeld dat een taak wel wat makkelijk was of dat je hulp van anderen hebt gehad. En wanneer je ergens in faalt, praat je uitvoerig over de factoren die hebben tegengewerkt. Daarbij kun je externe factoren noemen, die buiten je eigen invloed vallen (‘de rij-examinator was belachelijk streng’), maar ook interne (‘ik was de hele week al grieperig’). Gebrek aan inzet wordt in het algemeen minder erg gevonden dan gebrek aan bekwaamheid. Immers, inzet is controleerbaar en kan bij een volgende gelegenheid worden verbeterd, maar bekwaamheid niet.

(Developmental Psychology, vol. 33, pag. 508-517, 1997)[/wpgpremiumcontent]