Het beste vriendinnetje van mijn dochter heet Lotte. Bijna dagelijks parkeert het meisje haar fietsje tegen onze gevel en komt ze spelen. Soms eet ze een hapje mee of blijft ze logeren. Lotte en dochter Sara lijken erg op elkaar: beiden hebben blond haar, blauwe ogen en een hardnekkige voorkeur voor roze kleren. Tenminste, dat zegt Sara. Bevestigen kan ik het niet want ik heb Lotte nog nooit gezien. Lotte bestaat namelijk niet. Ze is een imaginary friend; een product van de fantasie van mijn dochter.

In eerste instantie moest ik gniffelen om Sara’s fictieve vriendinnetje. Het waait wel over, dacht ik. Maar Lotte waaide niet over, sterker nog; ze nam een steeds grotere plek in in het leven van mijn dochter. Ik maakte me zorgen. Is zo’n imaginary friend eigenlijk wel normaal? Staat het real life vriendschappen niet in de weg? En gaat het vanzelf over of moet er ingegrepen worden?

Onzichtbare dieren

Ik hoef me geen zorgen te maken, gelukkig. Uit onderzoek blijkt namelijk dat vijftig tot zestig procent van de kinderen ooit bezoek krijgt van een ingebeeld speelkameraadje. En hoewel een enkeling zijn fantasievriend meedraagt tot op volwassen leeftijd, groeien de meeste kinderen er rond hun zevende vanzelf overheen.

Fantasievriendjes blijken verkrijgbaar in alle soorten en maten. De meeste ingebeelde vrienden zijn Lotte-achtige, onzichtbare kinderen, maar ook onzichtbare dieren of buitenaardse wezens zijn geliefd. Opvallend is dat verzonnen vriendinnen populairder zijn dan verzonnen vrienden: om onduidelijke redenen nemen zowel jongens als meisjes het liefst een vrouwelijke fantasiepartner.

Er bestaan ook imaginary friends die wél waarneembaar zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van een ‘levende’ knuffel, pop of brandweerauto. Kinderen verschillen erg in de mate van trouw aan hun denkbeeldige vriendje. Sommigen hebben ‘wisselende contacten’ en nemen voor iedere hobby een nieuwe vriend, terwijl anderen juist eeuwig trouw zijn aan die ene imaginaire bondgenoot.

Fantasievriendjes zijn kennelijk normaal. Maar dat maakt het verschijnsel niet minder vreemd: waarom creëren kinderen niet-bestaande kameraadjes? Volgens opvoedkundige Saskia Nihom hebben fantasievriendjes een belangrijke functie: ze helpen kinderen de wereld te begrijpen en bovendien zijn ze goed voor de ontwikkeling van sociale en emotionele vaardigheden.

Nihom: ‘Kinderen tussen de twee en zeven jaar zijn in een fase waarin ze zichzelf en de wereld om zich heen moeten ontdekken. Een behoorlijk ingewikkelde klus. Want hoe weet je zeker dat mama je lief vindt? En waarom zou je niet door het afvoerputje van de douche kunnen verdwijnen? Kinderen lopen met allemaal vragen rond en fantasievriendjes zijn een slimme manier om angsten te bedwingen en te experimenteren met emoties.’

Spelletjes met fantasievrienden zijn dus eigenlijk een soort truc om te oefenen met het onbekende. Toneelstukjes waarin je zelf de regie in handen hebt. Ben je bang voor honden, dan ga je met je fantasievriend op hondenjacht. Dat kan natuurlijk ook in een spel met een echt vriendje, maar de kans dat die met dezelfde dingen worstelt is niet gegarandeerd.

Opvallend is dat kinderen met zichtbare fantasievrienden (knuffels) hierbij op een andere manier te werk gaan dan kinderen met onzichtbare kameraadjes. Nihom: ‘De relatie tussen levend speelgoed en een kind is het spiegelbeeld van de relatie tussen de ouders en het kind: het kind is de baas en het speelgoedvriendje de ondergeschikte. Het kind bepaalt precies wanneer het vriendje moet slapen of eten en wanneer het stout is. Het vriendje heeft niks in te brengen. De relatie tussen onzichtbare vrienden en hun createurs is gelijkwaardiger. Soms is het kind aan zet, soms neemt ook het verzonnen vriendje de leiding.’

Stoel bezet

Kinderen met nepvrienden maken veel uren. Dat is handig omdat ze grip krijgen op de wereld, maar dat is niet het enige voordeel. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met fantasievrienden gemiddeld verder zijn in hun taalontwikkeling en dat ze over betere sociale vaardigheden beschikken. Ze zijn bijvoorbeeld minder agressief, coöperatiever en ze lachen vaker. Ook kunnen ze zich beter concentreren en vervelen ze zich minder snel.

Erg positief allemaal. Schuilt er dan echt geen gevaar in een intensief fantasieleven? Nihom: ‘Een fantasievriend is ongevaarlijk, maar je moet als ouder wel in de gaten houden dat je kind niet blijft hangen in de fantasie. Bij sommige kinderen gaan de imaginary friends het huis domineren. Dan mag oma bijvoorbeeld niet in de luie stoel zitten omdat die “bezet” is, of past papa niet aan tafel omdat er al vier vrienden mee-eten die avond.’

Het advies van Nihom is desondanks niet om het bestaan van de fantasievriend belachelijk te maken of te ontkennen. Het gaat erom om de fantasie te respecteren en tegelijkertijd het kind terug te brengen naar de realiteit. ‘Zeg nooit dat het onzin is dat Elsje, Pietje of Lotte op de stoel van oma zit. Daar schrikt een kind van. Voor hem is het namelijk wél echt. Het beste kun je begrip tonen voor de situatie. Stel bijvoorbeeld voor om oma de stoel te geven en het kleine krukje voor het vriendje te reserveren.’

En hoe voorkom je dat je nog jaren krukjes met onzichtbare kinderen in de kamer hebt staan? Volgens Nihom is dat geen gegronde angst. Kinderen groeien namelijk vanzelf over hun imaginaire vriendjes heen. ‘Ze verdwijnen als de realiteitszin zich ontwikkelt. Meestal is dat rond een jaar of zeven. Doorgaans verloopt het afscheid geleidelijk; het kind besteedt steeds minder tijd aan zijn verzonnen kompaan. Soms gaat het ook abrupt. Dan besluit een kind opeens dat het genoeg is en laat hij zijn vriend verdwijnen. Bijvoorbeeld door hem te laten verhuizen.’

Lotte gaat binnenkort ook verhuizen, zo meldde mijn dochter. Maar ik vrees dat dit niet betekent dat we van haar af zijn. Lotte verhuist namelijk omdat wij ook verhuizen. Best gezellig.

Sara van Kerkoerle (3) over Lotte

Wie is jouw beste vriendinnetje? ‘Lotte natuurlijk! Lotte is heel lief en we hebben nooit, nooit, nooit ruzie. Ze mag ook met mijn spullen spelen. En mijn prinsessenjurk aan.’

Hoe ziet Lotte eruit? ‘Héél mooi. Ze heeft hetzelfde gezicht als ik. En ook dezelfde haren en dezelfde maillot. Lotte is al tien jaar, ze heeft rolschaatsen en ze mag alleen oversteken. Ze heeft ook al borsten en ze kan melk geven aan mijn broertje.’

Heeft Lotte zelf ook een broertje? ‘Ja, maar dat is geen baby. Hij woont met Lotte in een groot huis. Er is geen papa of mama. Ze zijn alleen.’

Vindt Lotte dat dan niet eng zonder papa en mama in huis? ‘Nee. Want ze is al groot. En ze komt natuurlijk ook bij mij spelen als er monsters komen. Maar die zijn niet echt, hoor, die monsters. Want monsters bestaan alleen in boekjes. En anders slaat haar broer ze met een zwaard kapot.’

Ken je de broer van Lotte ook? ‘Die heet Kwanna. Maar ik ken hem niet. Hij blijft alleen maar thuis. Hij is saai.’

Weet je waar het huis van Lotte is? ‘Hier vlakbij. In Amsterdam. En als we gaan verhuizen naar Amersfoort, dan gaat Lotte ook verhuizen. Dat is toevallig, hè mama?!’

Heel toevallig. Kun je Lotte eigenlijk ook aanraken? Of alleen maar zien? ‘O, ik kan haar wel aanraken, maar dat wil ik niet. Ik kijk gewoon. En dan gaan we spelen.’[/wpgpremiumcontent]