Ivan Mishukov was vier jaar oud toen hij in 1996 wegliep bij zijn ontoereikende moeder en haar alcoholistische vriend. Het leger van tienduizenden zwerfkinderen dat de straten van Moskou sinds de val van het communisme bevolkt, werd daarmee uitgebreid met een klein maar vastberaden jongetje. Een jongetje dat zo gedesillusioneerd was over de medemens dat hij zich niet aansloot bij zijn lotgenoten op de vuilnisbelten van Moskou, maar zijn heil zocht bij een troep zwerfhonden. Hij deelde zijn bijeen gebedelde eten met de honden, won zo hun vertrouwen en werd uiteindelijk als hun leider erkend. De honden, op hun beurt, beschermden hem en hielpen hem met hun lichaamswarmte de barre winters door.

Toen dit ongebruikelijke pact in de gaten begon te lopen, opende de politie de jacht op Ivan en met succes: na twee jaar op straat te hebben geleefd, werd hij opgepakt en overgedragen aan de kinderbescherming. Ongevraagd werd Ivan weer bij mensen ondergebracht en al even ongevraagd beleefde hij zijn vijftien minuten roem: hij werd wereldnieuws. Hoe was het mogelijk, vroeg de verzamelde pers zich af, dat een kind met alleen maar de hulp van honden overleefde? Dat zoiets mogelijk was in afgelegen bossen, in de jungle van India,

was bekend, maar hoe kon dit in een grote wereldstad gebeuren?

Wolvennest

Ivans naam werd in verband gebracht met die van een aantal kinderen dat in de loop der eeuwen de gemoederen niet minder beroerd had. Zoals Victor, de jongen die in de bossen van Aveyron leefde, tot hij in 1800 werd gevangen en onder de hoede van dokter Itard gebracht. Of Génie, het meisje dat door haar gestoorde vader twaalf jaar lang, tot 1970, in een achterkamertje in een Amerikaanse buitenwijk aan een stoel vastgebonden gevangen werd gehouden. Of Kaspar Hauser, die van zijn tweede tot zijn zestiende jaar in een lage kelder opgesloten zat en in 1828 om onopgehelderde redenen en met een duister briefje in zijn hand op een plein in Neurenberg werd aangetroffen. Al snel bestond het vermoeden dat het ging om een weggewerkte troonopvolger. Hij werd vermoord in 1833. Inmiddels heeft dna-onderzoek de hypothese ontkracht. En ook waren daar Kamala en Amala, de twee meisjes die in 1920 in de jungle van India in een wolvennest werden gevonden. Ze waren acht en anderhalf jaar oud en een missionaris nam hen onder zijn hoede. De jongste stierf na een jaar, de oudste na negen jaar. Zij paste zich enigszins aan, maar werd geestelijk niet ouder dan een jaar of twee.

Kinderen, kortom, die lange tijd zonder menselijk contact wisten te overleven en die, ongeacht of ze opgroeiden met behulp van dieren of in totaal isolement, allemaal met de term ‘wolfskinderen’ worden aangeduid – een benaming die verband houdt met de regelmaat waarmee in de jungle van India door wolven opgevoede kinderen gevonden werden. In de negentiende eeuw fascineerden deze kinderen Rudyard Kipling zodanig dat hij er zijn Jungle Books op baseerde, met in de hoofdrol het wolvenkind Mowgli. Waarom fascineren deze kinderen zo?

De Britse auteur Michael Newton laat in zijn onlangs verschenen Savage Girls and Wild Boys. A history of feral children zien dat deze vraag niet makkelijk en zeker niet eenduidig te beantwoorden is. Behalve dat de kinderen erg van elkaar verschillen, veranderen met het verstrijken van de tijd ook de vragen die zij oproepen. Een vraag die echter in alle beschrijvingen doorklinkt, is: wat leren deze kinderen ons over de menselijke natuur?

In de eerste beschrijvingen, daterend uit de achttiende eeuw, vroeg men zich af of wolfskinderen überhaupt wel een menselijke natuur hadden. Hoe kon ‘Peter de Wilde Jongen’, die in die eeuw uit de bossen van Duitsland tevoorschijnkwam en zich als een beer gedroeg en nooit leerde praten, in de verste verte menselijk zijn? En hoe zat het met het verwilderde, negenjarige meisje Memmie in Frankrijk dat met een stok in de hand roerloos bleef staan om vervolgens de hond, die was ingezet om haar te vangen, met één klap dood te slaan? Behoorden dergelijke wezens niet tot een andere soort, ergens tussen dieren en mensen in?

Teleurstellingen

In de negentiende eeuw, toen de bakens inmiddels door Jean-Jacques Rousseau waren verzet, zag men in de verwilderde kinderen geen beesten meer, maar een natuurlijke en benijdenswaardige staat van de mens. Rousseau had de gedachte verspreid dat opgroeien in de natuur de enige manier was om niet besmet te raken met de hypocrisie en de onrechtvaardigheden van de samenleving. Bij kinderen als Kaspar Hauser en Victor uit Aveyron werd dan ook verwachtingsvol gespeurd naar tekenen van deze voorspelde idyllische staat.

In de twintigste eeuw, ten slotte, zijn het vooral ontwikkelingspsychologen en taalkundigen geweest die in de kinderen een bron van mogelijke kennis zagen. Van Génie werd door een heel team van wetenschappers bijgehouden hoe haar woordenschat zich ontwikkelde, of ze nog wat aan grammaticaregels onder de knie kreeg en of ze nog in staat was zich aan iemand te hechten.

Veel staken die wetenschappers van hun onderzoek niet op. Wat ze deelden met wetenschappers uit eerdere eeuwen, was de hooggespannen verwachting, het opwindende gevoel van een unieke kans. Wat ze ook deelden, was de onvermijdelijke teleurstelling, de ervaring dat er van een enkel wolfskind niet zo gek veel te leren valt. Maar de verwachting en de teleurstelling gingen verder dan dat. Uit de verslagen van de meeste onderzoekers spreekt een gevoeligheid voor de tragiek. Het ging om kinderen die te vondeling waren gelegd, opgesloten waren geweest of verwaarloosd. Kinderen die onwennig, hulpeloos en schuldeloos in een onbegrijpelijke wereld terechtkwamen. Hier viel wat te redden. Ook dat bleek echter moeilijk te realiseren. De kinderen bleven onaangepast, onaantastbaar in hun wereldje opgesloten en vaak terugverlangend naar hun geïsoleerde bestaan. Met het toenemen van het aantal teleurstellingen, ebde de belangstelling van de onderzoekers in bijna alle gevallen weg. Zo ontstond voor de meeste kinderen een nieuwe vorm van tragiek: na een korte periode van intense aandacht, raakten ze opnieuw in de vergetelheid en werden ze overgelaten aan zorginstellingen, aan pleeggezinnen of aan zichzelf.

Wellicht is het die tragiek die het meest tot de verbeelding spreekt. In de terughoudende, niet-begrijpende ogen van wolfskinderen weerspiegelt zich de ontoereikendheid, niet alleen van die ene ouder, dat ene gezin, maar van een hele samenleving. n

Ivan leefde van zijn vierde tot en met zijn zesde met een troep honden in de straten van Moskou. Eenmaal gevangen bleek zijn gedrag verwilderd, maar hij paste zich snel aan, omdat taal geen probleem was. In de pers werd verteld dat hij ‘alleen nog droomde van honden’. Pogingen om erachter te komen hoe het met hem gaat, zijn tot dusver vastgelopen op de geheimhouding van zijn verblijfplaats.

Génie werd de eerste twaalf jaar van haar leven door haar vader opgesloten in een achterkamertje, vastgebonden op een po-stoel, zonder dat er tegen haar werd gesproken. Haar bijna blinde moeder, die doodsbang voor haar man was, slaagde er in 1970 in met haar dochter te vluchten. Na haar achttiende kwam Génie in verschillende pleeggezinnen, waar ze soms opnieuw mishandeld en misbruikt werd. Tegenwoordig woont ze in een verzorgingshuis.[/wpgpremiumcontent]