‘Dus… is er nog hoop?’ vraagt David aan het einde van de kennismaking. Zijn grapje wil niet echt lukken. Wat voor ironie moest doorgaan, verandert in twijfel door een kikker in zijn keel en een vochtige glans over zijn ogen.

Therapeuten vergeten nog weleens om hoop te geven. Tegen mijn studenten zeg ik: laat nooit na om te zeggen dat therapie zinvol is, dat je cliënten goed bezig zijn, dat de prognose goed is. Maar dan moet dat wel waar zijn.

‘Dat denk ik wel,’ zeg ik en ik doe net alsof ik niet zie dat David slikt terwijl ik mijn blik van hem naar Suze verplaats. Ze kijkt gespannen.

‘Want er gaan dingen goed tussen jullie. Thuis loopt alles op rolletjes, bijvoorbeeld.’ Suze kijkt me strak aan. ‘Jullie praten heel open met elkaar, ook hier. En jullie hebben al dingen veranderd, zoals die afspraken over samen leuke dingen doen.’

Nu hangt mijn ‘maar’ zwaar in de lucht. Suze knippert nog steeds niet met haar ogen. Als ik ook maar iets zeg dat in de verste verte naar bullshit ruikt, neemt ze nooit meer iets van me aan.

‘Maar ik heb makkelijk praten. Ik hoef niets te doen. Alles hangt af van wat jullie gaan doen met wat we hier bespreken.’ David knikt bereidwillig.

‘Wat jullie nodig hebben zijn concrete, praktische veranderingen. Die bedenken we hier, maar die voeren jullie thuis uit. En dat kost moeite. De vraag is of jullie die moeite willen doen. Of die ruimte er nog is.’

Afwisselend keek ik naar haar, naar hem en naar de ruimte tussen hen in op de bank, maar nu ik ben uitgesproken, rust mijn blik op Suze. Ze knijpt haar ogen samen. Net als ze iets wil zeggen, is David haar te snel af: ‘Ja, dat wil ik.’

Suze kijkt naar opzij en schenkt hem een glimlach. Het is de glimlach van een beul die weet dat ze zo aanstonds het zwaard moet heffen. Ze kijkt naar mij, serieus.

‘Ruimte. Dat is een mooi woord,’ zegt ze. ‘Ik voel niet zoveel ruimte meer.’ David maakt een geluid, iets tussen een woord en een snik in. Suze reikt naar hem en pakt zijn hand. ‘Sorry, schat, maar ik moet de waarheid zeggen. Daarvoor zitten we hier.’ David knikt.

Nu weet ik: als ik haar verder laat praten is het huwelijk voorbij. En als dat zo moet zijn, dan is het zo. Maar ik ben het aan hen verplicht om tenminste een poging te wagen.

‘Dat merkte ik al,’ zeg ik snel. ‘En daarom stel ik voor nog geen therapie te beginnen. We maken nog één volgende afspraak. En die gaat over de vraag hoeveel ruimte er nog is bij jou.’

Suze staart me aan terwijl haar bullshitmeter overuren maakt. Ze kan niets ontdekken. ‘Ja, dat is goed,’ zegt ze dan. David springt nog net niet overeind om te juichen.