Toen de mantelbavianen van Dierenpark Emmen dagenlang tegen elkaar aangekropen op de punt van hun rots zaten, gold dat in alle kranten als een groot mysterie. Als slechts één baviaan daar was blijven zitten, had niemand het gemerkt, maar nu zat de hele club op een kluitje een bepaalde kant uit te staren. Dagenlang geen eten, geen vlooisessies, geen paringen. Alleen maar oog voor dat geheimzinnige ‘ding’ in de verte.

De beste uitleg vond ik nog dat ze een ufo gezien moesten hebben. Op deze manier sloeg men twee vliegen in één klap: een verklaring van apengedrag plus het bewijs dat ufo’s bestaan.

Maar even serieus – ik weet natuurlijk ook niet wat er aan de hand was met die bavianen. Duidelijk is dat er leiders en volgers zijn, en dat veel dieren de neiging hebben elkaars voorbeeld na te volgen. Volgens de berichten waren het vooral de volwassen mannetjes die samen in de verte staarden. Dit klopt met wat we weten over wilde mantelbavianen, die ongelofelijk patriarchaal zijn.

Nu wordt zulk gedrag soms wel als massahysterie aangeduid, maar dat geeft er een negatieve draai aan, en gaat voorbij aan de overlevingswaarde van dit soort gedrag. Dieren hebben een goede reden om in groepen te leven: het dient de gemeenschappelijke veiligheid. Dat geldt ook voor ons. Met alle geruzie binnen de maatschappij ontgaat ons dit weleens, maar zodra er een gemeenschappelijke vijand is, of een groot gevaar, of een ramp (zoals een overstroming of aardbeving), zijn we ineens weer op elkaar aangewezen en komt de diepe reden waarom we samen zijn naar boven. We zitten dan al snel op een kluitje en vergeten even te eten en te paren.

Een mooi geval van massagedrag vond ik de vorig jaar verloste paarden bij het Friese Marrum. Ruim honderd paarden zaten na een storm vast op een droog stuk weiland, omgeven door water van de Waddenzee. Twintig waren er al verdronken. Er was van alles geprobeerd. De brugcompagnie van het leger was zelfs van plan om drijvende pontons in te zetten, maar de echte oplossing kwam uiteindelijk van een ruitervereniging.

De paarden hadden een voorbeeld nodig. De ruiters mengden zich dus te paard onder de kudde en draafden daarna terug. Diep was het niet: de paarden konden het grootste stuk gewoon lopen. Zo lokten ze de rest met zich mee. Op de website van het NOS Journaal is nog steeds te zien hoe de ruiters door een lange sliert paarden werden gevolgd, totdat ze allemaal veilig op het droge aankwamen. Ik heb zelden zo’n staaltje van toegepaste dierenkennis gezien.

Volggedrag zit er diep in. Probeer maar eens niet te klappen als iedereen om u heen klapt. Of nog moeilijker: probeer maar eens wild te klappen wanneer er niemand meedoet.

 [/wpgpremiumcontent]