Ik heb nooit zin om naar mijn moeder te gaan,’ vertelt de blonde, 12-jarige Esther. ‘Ik woon bij mijn vader, maar op woensdag ga ik naar háár toe.’ Ze schuifelt met haar zwarte laarzen over het tapijt als ze uitlegt waarom ze geen zin heeft. ‘Ik ben bang dat ze gek gaat doen. Daarom verzin ik soms een smoes zodat ik niet hoef. Dan zeg ik dat ik te veel huiswerk heb.’

Esther is een van de 1,6 miljoen Nederlandse kinderen die een ouder heeft met een psychische stoornis of verslaving. Esthers moeder heeft borderline. Soms praat ze tegen de ramen en is ze heel afstandelijk tegen haar dochter. Kinderen als Esther hebben later zelf ook een grotere kans op psychische problemen: anderhalf keer zo groot als een ander kind.

Daarbij speelt een genetische component een rol, maar ook opgroeien in een onveilige omgeving draagt hieraan bij. Om het risico te verkleinen zit Esther in de Doe-praatgroep, een ondersteuningsgroep voor kinderen van ouders met psychische problemen.

Je zorgen opschrijven

Naast Esther zijn er woensdagmiddag nog vijf andere kinderen gekomen naar het kantoor van Context, onderdeel van ggz-instelling Parnassia Bavo Groep. Hun ouders worstelen met depressie, borderline en alcoholisme. De kinderen –

Log in om verder te lezen.