Emoties, ook de heftige, bestaan niet voor niets. Angst helpt ons te vluchten bij gevaar, schaamte zorgt ervoor dat we ons gedrag aanpassen aan de mensen om ons heen. En ook boosheid is goed, want daarmee geef je bijvoorbeeld aan dat iemand over je grenzen gaat, of dreigt te gaan.

Spiegel

Emoties zijn dus nuttig, maar samenleven met andere mensen wordt op den duur onmogelijk als we niet leren om emoties te reguleren. Dat is een belangrijk onderdeel van onze sociale vaardigheid. Eventjes boos zijn als we iets kwijt zijn is natuurlijk prima, maar een stoel door de kamer gooien is dat niet. Het is geen ‘adaptieve respons’. Het is dus onaangepast gedrag.

Kinderen kunnen hun emoties nog niet goed reguleren. Het zijn temperamentvolle wezens: als ze blij zijn, zijn ze echt blij en als ze woedend zijn, zijn ze echt woedend. De prefrontale cortex, de plek waar in het brein de emotieregulatie wordt geregeld, is bij hen nog niet voldoende ontwikkeld om er een rem op te zetten.

Om kinderen daarbij te helpen, is het in de eerste plaats belangrijk dat we ze voorleven. Onze eigen emotieregulatie heeft namelijk directe invloed op die van onze kinderen. Ouders die snel uit hun slof schieten, moeten niet vreemd opkijken als hun kinderen dat ook doen. Ze houden ons daarmee als het ware een spiegel voor.

Rustig moment

Daarnaast kun je er met kinderen vanaf een jaar of 7 ook over praten. Vanaf die leeftijd kan je zoon of dochter steeds beter naar zijn emoties en gedrag leren kijken. Uitgangspunt daarbij is: je mag emoties hebben, maar bepaalde uitingen ervan zijn onacceptabel. Inderdaad: geen stoel door de kamer.

Het heeft overigens meestal geen zin om met je kind te praten al het midden in zo’n boze bui zit of als het huilt van frustratie, want op zo’n moment kan de prefrontale cortex door de emoties simpelweg nauwelijks informatie opslaan. Bewaar je gesprekje voor als de rust is weergekeerd.

Lange adem

Even terug naar de boze dochter met de Lego. Je loopt naar haar toe en constateert hardop wat er feitelijk aan de hand is: je zegt dat je ziet dat ze boos is en dat je dat ook snapt. Ze heeft dat wieltje nodig en het is er niet. Dat is balen. Vervolgens help je haar eventueel naar het wieltje te zoeken.

Pas ’s avonds aan tafel begin je een gesprekje over wat je kunt doen als je boos bent. Je geeft zelf een paar voorbeelden en haalt het ‘wieltjesincident’ even terug. Zonder beschuldiging of spot.

Dit gesprekje zullen jullie nog een aantal keren moeten herhalen, want het aanleren van emotieregulering is een proces van de lange adem. Maar gelukkig heb je daar nog de hele opvoeding de tijd voor.

Bron: A.C. Schermerhorn e.a., Neurophysiological correlates of children’s processing of interparental conflict cues, Journal of Family Psychology, 2015
Dit was de laatste aflevering van deze rubriek. Je kunt alle adviezen van Steven Pont teruglezen op psychologiemagazine.nl/redacteur/steven-pont/

Hoofd en lijf afkoelen

  • Verzin samen met je kind alternatief gedrag bij woede. Bijvoorbeeld tot tien tellen, een rondje door de tuin rennen of heel hard meezingen met een bepaald liedje.
  • Is je kind woedend, probeer dan zelf rustig te blijven, ook in je lichaamstaal. Als dat lukt, verklein je de kans dat je zelf ook boos wordt.
  • Vergelijk je ene kind nooit met je andere kind. Het maakt de rivaliteit tussen je kinderen groter en geen twee kinderen zijn nu eenmaal gelijk.
  • Zeg ‘sorry’ als je een keer te boos bent geworden. Zo leert je kind hoe het relaties kan herstellen.