Ooit bood ik een vriendin een blikje cola aan. ‘Ik wil liever niet een drankje uit blik,’ zei ze, ‘geef me dan maar een glas water.’ Ik zie mezelf als reuze milieuvriendelijk, maar op dat moment dacht ik: ‘Jemig zeg, je kunt ook te ver gaan met die milieu-mierenneukerij.’ Ik voelde me afgewezen, alsof ze me wilde inwrijven dat ik wel een héél fout product had gekocht. Alsof zij beter was!

Dat was natuurlijk kinderachtig van me, maar gelukkig weet ik nu dat het een doodnormale menselijke zwakte was. En nu begrijp ik ook de vleeseters die míj – als pleitbezorger van diervriendelijk eten – hebben uitgemaakt voor dominee, iemand die de gewone man zijn pleziertjes wil afnemen, en domme stadse hypocriet.

In een serie experimenten aan Stanford University werd onderzocht hoe we aankijken tegen ‘morele rebellen’: mensen die zich principieel verzetten tegen iets waar de meeste mensen onnadenkend of gemakshalve aan meedoen – bijvoorbeeld autorijden of vliegen, of beleefdheidshalve lachen om een flauwe grap. Wanneer we zelf bij die meegaande meerderheid horen, blijken we morele dwarsliggers enorm irritant te vinden: vooringenomen, overtuigd van hun gelijk en betweterig.

Dat komt doordat we deze principiële

mensen ervaren als een reminder van onze eigen zwakte. We zijn allemaal weleens morele slappelingen. We waaien mee met de groep, zelfs als het ergens in ons achterhoofd knaagt, omdat we denken: laat ik maar niet de dwarsligger zijn die de boot aan het deinen brengt. Vlees van dieren die hun leven lang geen stap kunnen zetten vinden we foute boel, maar ja: iedereen eet het, het ligt overal, de overheid vindt het prima; waarom moet ík dan… We kunnen toch niet alsmaar principieel en moeilijk doen, we moeten ook relaxen en van het leven genieten.

Uit het Stanford-onderzoek bleek dat we de morele rebel ervaren als iemand die ons afwijst en veroordeelt. Als ik zeg: ‘Ik eet geen vlees, ik ben tegen de vee-industrie’, hoort een vleeseter me tevens zeggen (zelfs als ik dat helemaal niet zeg): ‘En jij bent een aso dat je daaraan meedoet.’ Dat idee roept verzet op: iemand die mij de les wil lezen, wat een arrogantie! Heilig boontje, sla jij nooit een mug dood?! Hypocriet!

Maar als moraalridders ons zo ergeren, hoe moet de wereld dan ooit beter worden? Ook daar geeft het onderzoek antwoord op. In een van de experimenten kregen sommige deelnemers vooraf een ‘zelfbevestigings’-oefening: het opschrijven en overdenken van hun belangrijkste waarden. Deze oefening versterkt het gevoel van integriteit, en maakt mensen tijdelijk meer onbevangen en minder defensief. Ook in dit onderzoek werkte dat: na de zelfbevestigingsopdracht bleken ze het gedrag van een morele rebel juist inspirerend te vinden. Ze vonden hem onafhankelijk, sterk, eerlijk, intelligent en volwassen. Ze erkenden dat de rebel iets had gedaan waar ze zelf niet aan hadden gedacht, en namen zich voor dat voortaan ook te proberen.

Als wereldverbeteraar moet je dus niet al te fanatiek roepen dat mensen verkeerd bezig zijn. Dat is een regelrechte aanval op hun ego, en dan kunnen ze niet anders dan zichzelf in bescherming nemen door jou uit te maken voor arrogante betweter.

Beter kun je mensen aanspreken op hun eigen waarden, en ze waardering geven voor dingen die ze al goed doen. Waarschijnlijk is het dan nog maar een kleine stap naar vertellen over jouw waarden en keuzes. Positief en opgewekt blijven (anders ben je weer een zuurpruim van wie ‘niets mag’), ook als er grappen komen met zó’n baard: ‘Vegetarisch eten is heerlijk, er moest alleen een stukje vlees bij!’ Dan lach je hartelijk mee, hahaha! Nee, het valt niet mee om de wereld te verbeteren…

 [/wpgpremiumcontent]