Rond zes uur ’s ochtends kwam de melding binnen. Op perron 4 van station Hollands Spoor stonden twee mannen te ruziën. Een van hen zou een wapen hebben getrokken.

Toen de politie even later op het Haagse station arriveerde, was op perron 4 geen ruziënd duo meer te vinden. Wel een jongen met een donkere huid die niet reageerde op het bevel stil te staan. Daarop richtte een van de agenten zijn pistool en raakte hem in de nek. Een paar uur later overleed de jongen in het ziekenhuis. Er was geen wapen bij hem gevonden. Rishi Chandrikasing werd 17 jaar oud.

Naar de vraag wat er op die vroege zaterdagochtend november vorig jaar precies is misgegaan, werd bij de totstandkoming van dit artikel nog onderzoek gedaan. Maar voor sommigen staat de conclusie al vast. Als Rishi een lichte huid had gehad, had hij station Hollands Spoor levend kunnen verlaten. Dan was er niet meteen op hem geschoten, of had de agent op zijn benen in plaats van op zijn bovenlijf gericht. ­Anders gezegd: racisme speelde een rol bij zijn dood.

Spervuur van kogels

Dat is een beschuldiging die niet uit de lucht komt vallen. De afgelopen jaren kwamen meerdere incidenten in het nieuws waarbij de politie gekleurde mannen neerschoot omdat ze voor gewapend en gevaarlijk werden gehouden, maar die – eenmaal dood – ongewapend bleken. De incidenten vonden overigens wel steeds in het buitenland plaats; Nederland heeft (gelukkig) nog geen traditie op dit gebied.

Misschien herinnert u zich niettemin nog hun namen. Bijvoorbeeld Amadou Diallo. Deze Afrikaanse immigrant werd in 1999 door een patrouillerende New Yorkse agent voor een gezochte serieverkrachter aangezien en kreeg negentien kogels in zijn lijf toen hij in plaats van stil te staan zijn portemonnee wilde pakken. Of Sean Bell, de Afro-Amerikaan die in 2006 op zijn vrijgezellenfeestje stierf in een spervuur van vijftig kogels nadat een passerende undercover-agent meende gehoord te hebben dat hij een pistool ging halen.

Deze en vergelijkbare gevallen waren het afgelopen decennium aanleiding voor uitvoerig sociaalpsychologisch ­onderzoek. In diverse onderzoeksinstituten, met name in de vs, kregen proefpersonen videogames voorgeschoteld waarin gekleurde en blanke personages figureerden, soms mét wapen, soms zonder. De proefpersonen moesten steeds bliksemsnel beslissen: schieten of niet schieten?

De uitkomst was keer op keer choquerend eenduidig: op gekleurde personages werd significant vaker ten onrechte ‘geschoten’ dan op blanke. Ze hoefden maar een mobieltje in hun hand te houden of ze werden al voor gewapend versleten – en poef! Terwijl het pistool in de hand van een blanke man in deze experimenten opvallend vaak over het hoofd werd gezien. De weapon bias noemden de ­onderzoekers dit fenomeen: de neiging wapens te zien waar ze niet zijn, en omgekeerd.

In 2008 toonde een onderzoek bovendien aan dat het ook gevaarlijk kan zijn eruit te zien als moslim. Mannelijke personages met een tulband en vrouwen met een hoofddoek waren in dit videospelletje significant vaker doelwit dan spelpersonages zonder ‘verdachte’ hoofdbedekking – ook degenen die niet gewapend waren.

Vol vooroordelen

De algemene conclusie uit deze laboratoriumexperimenten luidde: wie in een fractie van een seconde moet beslissen hoe gevaarlijk de persoon tegenover hem is, laat zich niet leiden door de rede, maar door stereotypen. En stereotypen willen tegenwoordig nu eenmaal dat donkere mannen en moslims gevaarlijk zijn. Daar kan geen tolerante levenshouding tegenop. Veel deelnemers aan de laboratoriumexperimenten schrokken zelf behoorlijk van hun schietgedrag. De spelletjes legden bloot dat zij onbewust stikten van de vooroordelen.

Dat gold voor mensen met een kleur trouwens net zo goed als voor blanken, ontdekte de Amerikaanse psycholoog Joshua Correll in 2007. In de meeste ­experimenten werden alleen blanke, westerse proefpersonen gebruikt, maar Correll werkte in zijn videogame-onderzoek ook met deelnemers die een Afro-Amerikaanse, Latijns-Amerikaanse of Aziatische achtergrond hadden. De bias, het vooroordeel, bleef. Iedereen schoot sneller op een donkere man.

Heeft schiettraining zin?

Moeten we daaruit concluderen dat Rishi Chandrikasing inderdaad een grotere kans had gehad zijn confrontatie met de politie te overleven als hij een blonde Hollander was geweest? Nee, dat gaat te snel. Want datzelfde onderzoek van Joshua Correll leverde een tweede opvallend inzicht op.

Correll deed namelijk nog iets bijzonders. Hij betrok politieagenten bij zijn onderzoek. Tot dan toe hadden in video-schietexperimenten alleen burgers – lees: eerstejaarsstudenten psychologie, wereldwijd de meest gebruikte proefpersonen – meegedaan. Best gek, als je bedenkt dat de meeste burgers nooit in situaties komen waarin ze worden geconfronteerd met een tegenstander die gewapend kan zijn en waarin ze zelf gewapend zijn.

Maar goed, psycholoog Correll onderwierp dus voor het eerst ook agenten aan zijn schietonderzoek. En dat leverde de onverwachte uitkomst op dat agenten precies dezelfde ‘racistische’ impulsen hebben als burgers, maar dat ze daar veel minder naar handelen.

Dat vraagt om een iets uitgebreidere toelichting. Behalve de schietbesluiten zélf – hebben ze wel of niet geschoten? was dat wel of niet terecht? – hield het team van Correll ook bij hoelang de proefpersonen erover deden om tot die besluiten te komen. En daar bleek bij agenten eenzelfde patroon in te zitten als bij burgers: wanneer ze werden geconfronteerd met een videopersonage dat niet beantwoordde aan het stereo­type, hadden ze stelselmatig een fractie van een seconde langer nodig om te beslissen. Op zulke momenten haperde als het ware de database in de hoofden even; waar moesten ze ongewapende donkere mensen of gewapende blanken onderbrengen?

Dat de agenten in dit onderzoek net zoveel last hadden van zo’n sputterend systeem als de burgers, betekende volgens de onderzoekers dus dat zij tijdens het nemen van hun schietbesluit net zo goed te kampen hadden met raciale vooroordelen. Maar zoals gezegd: anders dan bij burgers resulteerden die er bij de politieagenten niet in dat ze meer ongewapende donkere mensen neerschoten dan ongewapende blanken. Dat gebeurde bij beide groepen evenveel: in ‘slechts’ 13 procent van de gevallen.

Een hoopgevende uitkomst, zegt Correll, want het geeft aan dat mensen kunnen leren hun schietimpulsen opzij te zetten. Ofwel: schiettrainingen hebben zin. Waarschijnlijk zelfs stukken meer dan pogingen om vooroordelen weg te masseren. Niet de stereotypen zijn het grote probleem, maar een tekort aan ervaring in het onderdrukken ervan.

Vier uur schietles per jaar

Terug naar Hollands Spoor. Hoe groot is de kans dat Rishi Chandrikasing slachtoffer werd van de weapon bias van een Haagse agent?

Als we de Amerikaanse psycholoog Correll mogen geloven, is die kans dus niet zo groot. Maar je kunt je wel afvragen of de schiettraining van agenten in ons land van hetzelfde niveau is als in Amerika. De reactie die de Nederlandse politiebond acp direct na het schietincident gaf, is wat dat betreft weinig geruststellend. De maandag erna zei de bond in De Telegraaf dat ‘politiemensen vinden dat ze te weinig training krijgen voor het gebruik van hun vuurwapen’. De uitkomsten van een vergelijkend onderzoek versterken die indruk: in de vs krijgen agenten jaarlijks minimaal tien uur schiettraining, Nederlandse agenten hooguit vier uur.

Bronnen: Christian Unkelbach e.a., The turban effect, Journal of Experimental Social Psychology, 2008 / Joshua Correll e.a., Across the thin blue line, Interpersonal Relations and Group Processes, 2007 / Joshua Correll e.a., The influence of stereotypes on decisions to shoot, European Journal of Social Psychology, 2007[/wpgpremiumcontent]