‘Perfect worden is ondoenlijk. Er staat weliswaar in de bijbel ‘Wees dan volmaakt gelijk uw hemelse vader volmaakt is.’ Maar het oorspronkelijke woord dat gebruikt wordt voor volmaakt is interessant: het betekent eigenlijk ‘gaaf’, ‘uit één stuk’. Een offerdier dat je offert, moet gaaf zijn. Je moet niet aankomen met een kreupel lam of met een duif met een geknakte vleugel. In moderne bijbelvertalingen kom je dan ook voortdurend het woord integriteit tegen in plaats van volmaaktheid. Integer is precies datgene wat bedoeld wordt.

Interessant is de uitspraak van Jezus over overspel: ‘Wie van u nog nooit een vrouw aangezien heeft om haar te begeren, werpe de eerste steen.’ Dat geeft om te beginnen al aan dat Jezus uit eigen ervaring spreekt, godlof. De uitspraak is er een van een profeet die ook in zijn eigen ziel kan kijken. Die kerels die willen gaan stenigen kunnen niet in hun eigen ziel kijken. Jezus kan dat wel en is dus niet ontredderd door zijn eigen schaduwzijde.

Ik probeer natuurlijk om geen rotzooitje te maken van mijn leven, maar perfectie, nee. De klassieke formulering in de bijbel is ‘het beoefenen van de gerechtigheid’. Je had indertijd een boekje waarin domineeskinderen

werden geïnterviewd. Een ervan zei: ‘Ik heb mijn vader nauwelijks gekend, want die zat boven boekjes te schrijven over het gezin.’ Dat is voor mij een schrikbeeld, maar ik heb me er toch aan schuldig gemaakt. Ik voel me niet schuldig, maar ik hoop wel meer tijd te hebben voor mijn kleinkinderen. Klassiek hè. Het is ook zo snel voorbij gegaan.

Het werk slokte me zeer op. De Westerkerk doen, achttien jaar lang, was een veel te zware taak voor één man. Er konden geen hulptroepen komen, want elders moesten kerken dicht en moesten predikanten uren inleveren, dus het was niet te verkopen dat ik er een tweede man of vrouw bij zou krijgen, maar het had wel gemoeten. Het was roofbouw.

Maar het is niet voor niets geweest. Je zaait, en wat er opkomt, waar het opkomt en wanneer, daar heb je toch geen zicht op. Dat moet je ook niet proberen, dat is ijdelheid. Zoals het zo prachtig staat in de schrift: je doet wat de hand vindt om te doen. Dat is altijd gebrekkig. Ik weet dat het beter kan, maar het is wel prettig dat ik weet dat ík het niet beter kan.

In mijn werk streef ik wel naar perfectie. In de Westerkerk stond ik bekend als perfectionist en ik vind vaak dat collega’s er een rotzooitje van maken. Ik ben altijd dominee geweest in mooie kerken en ik had altijd organisten die toegewijd waren en hun uiterste best deden. Je komt niet met een manke duif. Je moet hard aan je preek gewerkt hebben en niet voor de vuist weg gaan zitten bidden. Want dan belast je al die kerkgangers – of het er nu twintig of tweeduizend zijn – met je ideeën van dat moment. Die kunnen wel eens uiterst mager zijn, dus dat mag je ze niet aandoen. Het gaat om iedere punt en komma. Ik heb net de opera Tristan en Isolde gezien en ik heb alsmaar naar de dirigent gekeken. Die man is tot in de uiterste perfectie bezig. De musici zeggen allemaal: ik speel met hem beter dan ooit; hij haalt iets uit mij dat ik niet wist dat ik in me had en maakt iets dat mooier is dan de som der delen.

Zo stijg ik boven mezelf uit als ik hier zit te ploeteren aan een verhaal en pas de zoveelste versie in het boek staat. Bovendien hebben er dan nog tien anderen aan het boek gesleuteld, mensen die meelezen en mij hun opmerkingen sturen. Daardoor, en door het schaven en vijlen dat ik zelf doe, wint het.

Een dominee is geen antwoord-man. Ik voel me eerder zoals een Joodse rabbi het noemde: de koorleider van het koor van hen die vragen stellen. Vrij snel nadat ik in de Westerkerk was gekomen, hoorde ik mezelf iets zeggen dat ik uit de boeken haalde en dat niet uit mijn ziel kwam, en ik vond het onecht. Op dat moment bedacht ik: dit doe ik nooit meer. Dat was bevrijdend. De kerken lopen allemaal leeg, het geloof loopt weg, dat is bij jezelf noch bij anderen te stuiten. Je moet jezelf niet overschreeuwen. Je meldt wat je in huis hebt en je meldt ook wat de bijbel of de traditie in huis heeft en dat reik je aan – aan jezelf en aan de mensen met die grote vraagogen voor je neus, en dan zeg je amen. Het zij zo.

Zo kom ik ook aan de titel Het verhaal gaat… Er zijn vragen als: is er nou een God die aan de overkant van het graf op ons wacht? Dan zeg ik: het verhaal gaat… en ik vertel een van de bijbelse verhalen waarin de vader op de uitkijk staat. En dan zeg ik amen. Ik weet niet of het zo is, ik hoop het. Moge het zo zijn.

In Prediker staat: hoe kan de mens recht maken wat God krom gemaakt heeft? Dat vind ik mooie woede. Er is een heleboel dat wij krom hebben gemaakt en een heleboel dat ik zelf krom heb gemaakt, daarover hoeven we geen illusies te hebben. Er is lijden dat is terug te voeren op schuld, en dat is te veranderen. Dan moet je het ook veranderen en je niet beroepen op het noodlot. Iedere goede therapeut of pastor zal niet nalaten dit met zijn cliënten aan de orde te stellen: in hoeverre roep je dit onheil over jezelf af? Als Piet of Annie dat kan zien, zijn we een eind op weg.

Maar er is ook lijden dat niet is terug te voeren op schuld. Job was een godvruchtig man. Hij verzette zich en hij kreeg ook gelijk van God. De vuist naar de hemel van Job wordt goddelijk goedgekeurd. Prediker zegt dan: waarom hebt u ons nou zo krom gemaakt? Het is de eeuwige vraag hoe Gods almacht te rijmen is met Gods liefde, en daar kom je niet uit.

Psalm 23 zegt: de Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets. Dat heet in de psychologie basic trust, basisveiligheid. Als een gespeend kind bij zijn moeder, zo is mijn ziel in mij. Psalm 22 daarentegen, vlak ervoor, luidt: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Dat wordt Jezus in de mond gelegd aan het kruis. Het zijn beide authentieke Gods- en zelfervaringen. Zoals mijn moeder altijd zei: soms is het anders dan soms. Er zijn momenten dat je vervuld bent van psalm 23 en er zijn ogenblikken dat je zegt: de Heer is mijn herder niet. Het zijn geen uitspraken over God, maar over mezelf. Over hoe ik mezelf op dat moment zie: als een schaap van de kudde Gods, veilig geborgen in grazige weiden, of als een verworpene.

Ik heb net iemand begraven die in Dachau gevangen heeft gezeten, en die had mij gevraagd op zijn begrafenis psalm 23 te lezen. ‘Dat ben ik in alle aanvechtingen nooit kwijt geweest’, zei hij. Maar het was dus wel aangevochten.

Er zijn ook mensen die met een achterstand beginnen en die nooit inhalen. Vandaar dat ik met enige hartstocht in het eeuwige leven geloof. Ik weet er niks van en voor mezelf hoeft het ook niet zo nodig, maar voor zulke mensen denk ik aan wat ergens in de psalmen staat: verheug ons naar de jaren waarin gij ons hebt verdrukt. Voor je fouten moet je misschien ook betalen, dat zou zeer goed kunnen, dat vind ik een volwassen fantasie. Dat we ter verantwoording worden geroepen, omdat we verantwoordelijke mensen zijn.

Ik heb gewerkt in de Pompekliniek waar tbs-gestelden worden behandeld. Die mannen vroegen mij vaak of er nog wat was hierna. Ze werkten zo hard: afdalen in je eigen ziel en je daden onder ogen zien, het delict terughalen, de verachting van de mensen, je schaamte en schuld, dat hele gedoe doorploeteren, dat is hard werk. Dan kwamen ze mij en de pater vragen: loont dat? Word ik eens een keer helemaal vrij en verlost? Kan ik er ook nog een keer een compliment voor krijgen? Doe ik dit alles voor Gods aangezicht? Ik denk dus van wel. Ik denk erbij dat het nooit weg is om dat te geloven.

Was Jezus perfect? Nee, want hij was mens. Het is natuurlijk moeilijk om de historische Jezus terug te vinden; we hebben alleen de Jezus uit de bijbelverhalen en toen was de legendevorming al in volle gang. Maar dat hij heeft gezegd: ‘Heb uw vijanden lief’, dat zal wel. Bidden voor je vervolgers is een hoge staat waartoe een mens kan – niet moet – groeien. Het kan nooit omdat het moet, het kan omdat je er ruimte voor hebt. Maar niet ieder mens heeft die ruimte. Hoe wankeler mijn ik is, hoe moeilijker ik u kan vergeven.

Zelf vergeef ik snel, denk ik. Het is geen verdienste, want ik hoef het niet te bevechten. Maar ik heb natuurlijk wel een beetje geleerd om in mijn eigen ziel te kijken. Anders kun je ook nooit herderen en zeker niet in een gevangenis werken. Het zijn maar graduele verschillen tussen mij en die boeven, je hoeft jezelf niets te verbeelden. Je kent je eigen dwaasheid, kromheid en kreupelachtigheid een beetje, en je weet daarbij hoe bevoorrecht je bent, met je vader en je moeder en het gezin en het gereedschap dat je kreeg – wat bij mij allemaal optimaal was – en nochtans zitten er allerlei kreupele, kromme Jeroen Bosschen bij mij van binnen die ’s nachts gaan spoken. Hoeveel te meer is dat dan bij iemand wiens leven met een achterstand begon? Een van de eerste rapporten die ik van een gedetineerde las, luidde: ‘Vader onbekend. Werd tijdens een bombardement geboren. Kreeg geen borstvoeding.’ En dat was nog maar het begin! Als je dan ziet wat de gezonde en lieve stukken van die man zijn en hoe hij met de moed der wanhoop probeert nog iets van dat verwoeste leven te maken… Ik zei daar eens spontaan een gebedje: als dit volk naar de hel gaat, stuur mij er dan ook maar naar toe. Wie veel gegeven is, moet over veel verantwoording afleggen.’ n[/wpgpremiumcontent]