‘Toen ik in 1963 begon, waren er ongeveer vijftig eerstejaars studenten psychologie en toen ik acht jaar later afstudeerde, was dit aantal meer dan vervijfvoudigd. Bovendien was mijn richting, de sociale psychologie, in die tijd erg populair onder studenten. De enkeling die zijn studie afrondde, kreeg onmiddellijk een vaste aanstelling aangeboden. Tegenwoordig moet je minstens een proefschrift of een serie publicaties in wetenschappelijke tijdschriften op je naam hebben, maar toen waren ze al blij als ze iemand konden krijgen.’

Klandermans’ loopbaan is niet de enige factor die hem een kind van zijn tijd maakte. Hij was actief in de studentenbeweging, die pleitte voor een democratischer opzet van het universitair onderwijs en die haar eisen kracht bijzette door de massale bezetting van universiteitsgebouwen, zoals het Maagdenhuis. Achteraf vindt Klandermans het protest nuttig. Hij is inmiddels zelf hoogleraar aan de Vrije Universiteit, maar er klinkt nog steeds verbazing in zijn stem door als hij de almacht van de hoogleraren uit die jaren beschrijft. ‘Elk van hen was de baas in zijn eigen koninkrijkje. Ik vind dat de studentenbeweging de verhoudingen op de universiteit in positieve zin heeft gewijzigd.’

Het positieve oordeel van Klandermans over de democratisering op de universiteit wordt niet algemeen gedeeld. ‘Een flink deel van die veranderingen wordt tegenwoordig weer teruggedraaid en de vertegenwoordiging van studenten in bestuurlijke organen verdwijnt. Het is echter naïef om te denken dat je de invloed van een bepaalde groep kunt uitschakelen door het bestuurlijk model te veranderen. Als mensen ontevreden zijn, zullen zij vroeg of laat naar andere wegen zoeken om hun zin te krijgen. Een reorganisatie die tot doel heeft een bepaalde groep buitenspel te zetten, kan wel eens de weg openen naar een meer conflictueuze vorm van belangenbehartiging. Het is voor het bestuur van een universiteit eenvoudiger als bestaande onvrede open op tafel komt.’

Handelsreiziger van de psychologie

Het protesteren maakte niet alleen een onderdeel uit van het studentenbestaan van Klandermans, het zou ook uitgroeien tot zijn belangrijkste studieobject. ‘Heel veel mensen die net als ik onderzoek doen naar protestgedrag, zijn zelf betrokken geweest bij protestbewegingen. Je hebt het een keer van binnenuit meegemaakt en wilt beter begrijpen hoe het werkt.’

Voor hij begon, gaf de tijdgeest hem opnieuw een zetje in de rug. ‘Toen ik studeerde was het voor een sociale wetenschapper hoogst modieus om met de vakbonden samen te werken en tijdens mijn studie heb ik bijvoorbeeld een vakbondscursus verzorgd. Mij boeide vooral de vraag waarom mensen zich voor dit soort organisaties inzetten. Ik heb de FNV daarom voorgesteld om een onderzoek te doen naar mobilisatieprocessen. Wat maakt dat mensen in actie komen? De FNV had echter net een succesvolle stakingsronde achter de rug en reageerde verbaasd: “Dat hoeven we toch helemaal niet te weten? We hebben al laten zien dat we de mensen kunnen mobiliseren.” Ik heb het zelf echter nooit vanzelfsprekend gevonden dat mensen deelnemen aan protest.

Bij veel protestbewegingen staan de kosten voor de deelnemers niet in verhouding tot de baten. Zij moeten zich echt opofferingen getroosten voor een abstract doel. Neem het doorsnee arbeidsconflict, waarbij mensen besluiten een tijdje te gaan staken. Zij verliezen inkomsten, moeten geld lenen en halen zich financiële problemen op de hals. Veelal krijgen zij te maken met negatieve reacties uit hun omgeving. Een klassiek voorbeeld uit die tijd was een echtpaar waarvan hij wel wilde staken, maar zij niet. Beiden hielden voet bij stuk en dat liep uiteindelijk uit op een scheiding. Hoe kan het dat mensen zich zo laten meeslepen?’

Klandermans raakt geboeid door de psychologie van de opoffering, maar geeft grif toe dat hij zelf weinig ervaring heeft met dit verschijnsel. ‘De universiteitsbezettingen brachten voor ons geen grote nadelen met zich mee. Het was vooral erg leuk om mee te maken.’ Je hoeft echter maar even te denken aan landen waar de mensenrechten niet gewaarborgd zijn, om je te realiseren dat protesteren vaak grote offers met zich meebrengt.

Dit doet vermoeden dat de mensen die tot protest overgaan een specifiek karakter hebben, maar volgens Klandermans komt men niet ver met dit soort verklaringen. ‘Het karakter zal ongetwijfeld meespelen, maar elke keer blijkt dat veel mensen met hetzelfde karakter niet tot zo’n protest overgaan.’ Protest laat zich niet op zuiver individueel niveau uitleggen.

Het collectieve karakter van de protestbewegingen brengt met zich mee dat zij vooral door sociologen bestudeerd worden, maar om de psychologie kun je toch niet heen. Klandermans: ‘De sociale psychologie is de laatste jaren steeds experimenteler geworden, zodat de protestbewegingen minder aandacht hebben getrokken. Je kunt nu eenmaal geen demonstratie in een laboratorium nabootsen. Het gevolg daarvan is dat ik voor sociologen op dit terrein een vreemde eend in de bijt ben, maar dat is alleen maar voordelig. Dat er vakgebieden zijn waarin sociologen niet helemaal thuis zijn, ligt vaak aan aan de beperkte literatuur die ze tijdens hun studie moeten lezen en daarom heb ik de sociologen en politicologen op mijn studieterrein altijd iets te vertellen. Ik kan ze op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen in de psychologie. Ik voel me een soort handelsreiziger van de psychologie in sociologenland.’

De afvalrace

‘Het frappante van protest is dat het relatief zeldzaam is. Wanneer iets ergerlijks gebeurt met mensen, zal verreweg het grootste deel doorgaan met niets doen. Van iedereen die door een bepaalde gang van zaken is benadeeld, zal slechts een klein percentage deelnemen aan vormen van openbaar protest.’ Klandermans neemt de vredesbeweging als voorbeeld. In het begin van de jaren tachtig organiseerde zij zeer succesvolle demonstraties in Amsterdam en Den Haag. Wie zich de beelden nog kan herinneren, ziet een eindeloze zee van dicht op elkaar gepakte hoofdjes en mensen die schouder aan schouder brede straten en pleinen vullen. Een meer gemeenschappelijke uitdrukking van de wil van het volk lijkt moeilijk voorstelbaar, maar de cijfers leren dat slechts een fractie van de Nederlanders demonstreerde.

Klandermans: ‘Wij hebben onderzoek gedaan naar de tweede vredesdemonstratie in oktober 1983 in Den Haag, die gericht was tegen de plaatsing van kernwapens. We hebben voor en na de demonstratie vragenlijsten afgenomen bij de bevolking van Ouderkerk aan de Amstel. Zeventig procent van de ondervraagden gaf te kennen dat zij instemden met de doelen van de vredesbeweging. Het grootste deel van deze mensen was echter niet voldoende gemotiveerd om hiervoor naar Den Haag af te reizen. Zij hadden geen tijd of waren bang dat het uit de hand zou lopen.

De avond voorafgaand aan de demonstratie speelde tien procent van de ondervraagden met de gedachte om te gaan demonstreren, maar uiteindelijk ging slechts vier procent daadwerkelijk de straat op. Dat is een fractie van het aantal potentiële deelnemers. Toch leverde dit met 500.000 deelnemers de grootste demonstratie ooit in ons land op, maar je kunt je voorstellen hoe zo’n afvalrace eruitziet in een land als China. Pogingen om een massale protestactie te organiseren, lopen doorgaans nergens op uit. Meestal is het niet mogelijk voldoende medestanders mee te krijgen.’ Om dezelfde reden heeft het zo lang geduurd voordat er in Indonesië een massaal protest opgang kwam tegen de praktijken van de Soeharto-clan.

Het voorbeeld van Indonesië kan nog een tweede kenmerk van de afvalrace laten zien. Het aantal afvallers is kleiner als er een combinatie bestaat van een algehele onvrede met een directe aanleiding. In Indonesië kristalliseerde de onvrede over het regime van Soeharto zich uit dankzij de diepe economische crisis die het land in zijn greep heeft. In Nederland en België is dat niet anders. ‘De aanleiding voor de vredesdemonstraties was natuurlijk de plaatsing van de kernraketten, maar de demonstraties waren nooit zo succesvol geworden als in links Nederland niet zo’n onbehagen had bestaan over de CDA/VVD-regering. Evenzo zijn de witte marsen niet alleen een reactie op de affaire Dutroux, maar ook een uiting van ongenoegen over alles wat er politiek en vooral justitieel mis is in België.’

Vrienden van vrienden

‘Het is nauwelijks te verklaren waarom iemand het initiatief neemt tot een protest, maar ik kan wel redelijk goed uitleggen waarom mensen besluiten hieraan mee te doen. Het succes van de ouderenbeweging is bijvoorbeeld verklaarbaar als je bedenkt wie hier aan de touwtjes trekken. Daaronder zitten nogal wat gepensioneerde vakbondsmensen en politici. Zij hebben hun contacten en weten hoe ze dingen voor elkaar kunnen krijgen.’

Meer in het algemeen zou je kunnen zeggen dat de deelname aan protest alleen van de grond komt als veel mensen zich ergens boos over maken. Onvrede alleen is onvoldoende; ook verontwaardiging is nodig. ‘Er moet een persoon of een instantie zijn die verantwoordelijk wordt gehouden voor de ontstane situatie en men moet het idee hebben dat de autoriteit redelijkerwijs ook anders kan handelen. Ook moet men het idee hebben dat meedoen effect heeft, dat men daarmee een situatie kan beïnvloeden. Protest is veel heviger als het gevoel bestaat dat willens en wetens schade is berokkend. De woede in de affaire Dutroux komt voor een belangrijk deel voort uit het feit dat er ernstige fouten zijn gemaakt bij de opsporing. Adequater optreden had levens kunnen redden. En als de man eenmaal vastzit, krijgt hij van de autoriteiten de gelegenheid om op kinderlijk eenvoudige wijze te ontsnappen.’

De praktische organisatie van het protest is van groot belang. ‘Tijdens ons onderzoek in Ouderkerk aan de Amstel bleek bijvoorbeeld dat de belangrijkste reden om niet te gaan demonstreren was dat niemand aan de inwoners had gevraagd om mee te gaan.

Wie een protestactie wil organiseren, moet de mensen weten te bereiken en dat lukt het best als je gebruik kunt maken van bestaande sociale netwerken. De vredesbeweging schakelde bijvoorbeeld de PSP in. Deze organisatie had al een sterke affiniteit met de doelen van de vredesbeweging en op die manier werd in één klap een flinke groep bereikt.’

Kosten-batenanalyse

Het belang van externe factoren is zo groot dat een belangrijk deel van de deelnemers aan een protestbeweging er bijna toevallig in verzeild raakt. ‘Ze worden gevraagd door iemand die ze hoog achten en doen dan een keertje mee. Soms krijgen ze dan de smaak te pakken en groeien ze uit tot activist. Bij de vredesdemonstratie bleek ook dat degenen die met vrienden hadden afgesproken meestal echt gingen, terwijl mensen die alleen zouden gaan, vaker thuis bleven. De mensen uit de eerste groep hadden wat moeten uitleggen als ze niet waren verschenen, terwijl thuisblijven voor de laatsten geen consequenties had.’

Groepsprocessen wegen zwaar als het gaat om de omvang van het protest, maar individuele deelnemers maken volgens Klandermans ook een vrij simpele kosten-batenanalyse. ‘Mensen wegen af hoeveel moeite het kost om deel te nemen aan een protestactie. De vakbonden spelen hier dan ook op in. Zij stellen bijvoorbeeld gratis treinkaartjes naar Den Haag ter beschikking als zij daar een manifestatie organiseren, maar je moet als organisator altijd oppassen dat je het niet te leuk maakt. Zo blijkt het treinkaartje voor Den Haag ook regelmatig gebruikt te worden voor een dagje naar de Scheveningse Pier. Evenzo had de FNV een keer de popgroep Doe Maar uitgenodigd, omdat de bond moeite had met het mobiliseren van jongeren. Er kwamen inderdaad 20.000 jongeren op af, maar zodra een van de organisatoren het woord wilde voeren, werd hij keihard uitgefloten. Het is zaak om een aansprekende vorm van protest te bedenken, maar als de manifestatie te gezellig wordt, schiet je ook je doel voorbij.’

True believers

Voor massaal protest in Nederland is het een vereiste dat de manifestatie niet saai is en dat laat al zien dat de meeste deelnemers geen fanaten zijn. ‘De true believers maken zich vaak oprecht kwaad over de lichtzinnigheid van de attracties. Een muziekgroep doet in hun ogen afbreuk aan de ernst van de situatie en trekt alleen maar mensen die niet helemaal oprecht zijn. Toch schikken de fanatieke actievoerders zich meestal, omdat zij wel begrijpen dat ze met velen achter zich veel sterker staan.’

De grote massa haakt echter op een gegeven moment weer af. Zij zijn tevreden met de bereikte resultaten of geven het gewoon op. ‘De true believers blijven over en dat is ook de reden dat je aan het einde van een grote protestgolf kleine radicale groepen ziet verschijnen, zoals RARA en de Rode Brigades in Italië. Deze laatste groep heeft de toenmalige premier Aldo Moro ontvoerd en vermoord. Er is onderzoek gedaan naar deze groep en daar zag je aanvankelijk een gematigde protestbeweging, waar de overheid niet of nauwelijks op reageerde. Mede hierdoor ontstond er een kleine groep die allengs radicaler werd. Deze groep maakte zich steeds meer los van de omringende wereld en het isolement werd groter toen zij vanwege gewelddadige acties moesten onderduiken. Zij raakten verstrikt in hun eigen denkwereld en verloren het contact met de realiteit. Opvallend genoeg zijn dergelijke extremisten meestal afkomstig uit harmonieuze gezinnen.’

Het mooiste wat een protestbeweging kan overkomen is dat zij de gevestigde orde overneemt, zoals bij het ANC in Zuid-Afrika is gebeurd. ‘Iedereen vreesde dat het ANC snel uit elkaar zou spatten, maar in plaats daarvan blijkt iedereen het tot nu toe bij redelijke eisen te houden. De reden hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats is Mandela een man waarmee blank en zwart zich kunnen identificeren en in de tweede plaats is men over het algemeen tevreden. De zwarte bevolking merkt dat er op kleine schaal dingen zijn verbeterd en zij prijst zich hier gelukkig mee. De blanke bevolking heeft weliswaar gemerkt dat het hen nu wat slechter gaat, maar het is lang niet zo erg als ze gevreesd hadden. De balans blijft positief en tot nu toe zijn er geen aanwijzingen dat er een reservoir van onvrede zal ontstaan.’

Het gebeurt vaker dat het protest in ieder geval een deel van de beoogde doelen bereikt. ‘De grote protestbewegingen in Nederland hebben allemaal hun sporen nagelaten. Zo hebben de vrouwen-, milieu- en arbeidersbeweging voor belangrijke veranderingen gezorgd. Alleen over de vredesbeweging kun je twisten. Is de plaatsing van de kruisraketten nu niet doorgegaan dankzij of ondanks de vredesbeweging? Voor beide standpunten valt iets te zeggen.’

Protest is in het algemeen effectief. ‘Als je wilt dat er iets verandert, kun je beter de Dam blokkeren dan belet vragen bij de fractieleden van een politieke partij. e wordt weliswaar weer van die Dam afgeslagen, maar je hebt bereikt dat je probleem op de agenda staat. Lobbyen kost veel meer tijd.’

‘Grote protestbewegingen gedijen niet op ontevredenheid alleen. Mensen komen pas in actie als zij verontwaardigd zijn, omdat iemand hen willens en wetens onrecht heeft aangedaan. Zij hebben het gevoel nodig dat het ook anders had kunnen zijn.’ De sociaal-psycholoog Bert Klandermans denkt dat deze psychologische bevinding een deel van het succes verklaart van de witte marsen in België en de studentenprotesten in Indonesië.[/wpgpremiumcontent]