Waarom ze zo graag onderzoek doet naar adolescenten? Op die vraag begint Eveline Crone te glimlachen en pakt van haar bureau een piepklein krantenknipsel uit de winter. Leest voor: ‘Een 16-jarig meisje kwam zaterdag in Nieuwegein met haar tong vast te zitten aan een lantaarnpaal nadat vrienden haar hadden gevraagd die te kussen. Politieagenten wisten met een emmertje warm water de vastgevroren tong weer los te krijgen.’

Enthousiast: ‘Als ik zoiets tegenkom, denk ik meteen: hoe kómen die jongeren erop? Dat meisje was natuurlijk een beetje een kick aan het zoeken. En haar vrienden en vriendinnen zeiden waarschijnlijk: “Kom op, doe het!” Pubers zijn enorm creatief, gaan op onderzoek uit, durven van alles, zijn extreem op elkaar gericht, bezig met het vormen van hechte banden. Ik vind het ontzettend interessant erachter te komen waar dat gedrag allemaal vandaan komt.’

Sinds een jaar of tien is door de opkomst van moderne scantechniek veel meer bekend geworden over de hersenen van jongeren. Er blijkt daar van alles aan het gisten te zijn: vanaf de puberteit, die omstreeks het tiende jaar begint, gaat het brein volledig op de schop. De puberteit is zo rond het vijftiende levensjaar afgelopen, maar de adolescentie gaat dan nog door; de bijbehorende hersenveranderingen duren tot ongeveer het 22ste levensjaar.

In het Brain and Development Laboratory aan de Universiteit Leiden doen Crone (36) en haar team met een fmri-scanner onderzoek naar die veranderingen in de puber- en adolescentenhersenen. Crone, die vier jaar geleden bekend werd met haar bestseller Het puberende brein, publiceert deze maand een nieuw publieksboek waarin ze inzoomt op het sociale puberbrein.

Hoe kwam u ooit op het idee u in adolescenten te verdiepen?

‘Ik ben ooit psychologie gaan studeren omdat ik wilde weten waarom mensen de dingen doen die ze doen. Maar al snel kwam ik erachter dat als je dat echt wilt begrijpen, je je vooral ook moet richten op hoe iemand van kind verandert in een volwassene. Kinderen luisteren over het algemeen gewoon naar hun ouders en lijken ook wel op elkaar, maar in de puberteit en de rest van de adolescentie worden ze eigenzinniger en gaan ze zich pas echt van elkaar onderscheiden. Dát is de periode waarin de basis wordt gelegd van hoe je later als volwassene zult zijn.’

Pubers worden vaak als opstandig en lastig gezien. Terecht?

‘Nee, de meerderheid is juist helemaal niet zo extreem lastig. Wel kunnen pubers soms grillig of eigenzinnig reageren, of onverstandig handelen. Maar dat is logisch, ze zitten in een noodzakelijke fase van exploreren en uitproberen. In de ontwikkeling van baby- naar kindertijd wordt alles beter: je geheugen, snelheid, motoriek. Als dat zo zou doorgaan en je de hele tijd alleen maar beter in van alles zou worden, zou dat ook betekenen dat je steeds beter gaat luisteren naar je ouders, dat je steeds beter allerlei regels kunt opvolgen.

Maar het is niet de bedoeling dat je de hele tijd bij je moeder op schoot blijft zitten. Je moet je op een gegeven moment juist gaan losmaken, een zelfstandig individu worden, de wereld in trekken. Om een puber dat zetje te geven móét er iets gebeuren in zijn hersenen. Vandaar dat in de puberteit de hormoonniveaus niet alleen hemelhoog worden om allerlei lichamelijke veranderingen te bewerkstelligen, maar óók om je hele hersensysteem eens lekker flink op de kop te kunnen zetten.’

Hoe kun je als ouder het beste omgaan met dat proces van losmaken?

‘Dat is een vraag die ik veel krijg van mensen. Ik ben geen supernanny, maar uit onderzoek is bekend dat je grofweg drie soorten ouders hebt: extreem controlerend, laissez-faire, en ouders daartussenin. Het blijkt dat adolescenten bij die laatste groep het beste opgroeien. Ze zijn het gelukkigst, maken de beste keuzes en hebben de beste relaties.

De crux is dat je als ouder de balans moet zien te vinden tussen regels stellen en je kinderen de mogelijkheid geven te exploreren. Maak dus stevige afspraken over thuiskomen, of er samen wordt gegeten en wanneer het huiswerk wordt gemaakt, maar maak geen regels over álles, zoals over hoe laat je waar je fiets neerzet, want dat werkt averechts.’

Uw nieuwe boek gaat over het sociale brein van een adolescent; wat verandert daar precies in?

‘Van alles, de hersenen reorganiseren zichzelf dan; verschillende sociale breingebieden leren optimaal samenwerken waardoor je als volwassene goed met anderen overweg kunt. Vandaar dat pubers ook zo bezig zijn met het vormen van vriendschappen, want dat is iets waar al hun sociale vaardigheden in samenkomen.

Ze bevinden zich in een fase waarin ze nog van alles moeten leren in de omgang met anderen. Ze leren bijvoorbeeld gezichten beter herkennen, leren emoties op gezichten beter onderscheiden en leren zich beter in een ander verplaatsen. Juist in de adolescentie treden er veranderingen in de hersenen op die deze vaardigheden mogelijk maken. Onbruikbare zenuwverbindingen gaan verloren en andere worden juist versterkt en efficiënter gemaakt.’

Op welke manier gaan pubers anders naar gezichten kijken?

‘Het precieze waarom is nog onduidelijk, maar ze gaan een specifiek soort gezicht aantrekkelijk vinden. Als kinderen 8 jaar zijn, vinden ze verschillende soorten gezichten nog aantrekkelijk, maar tussen 9 en 12 jaar ontstaat bij iedereen de voorkeur voor een symmetrisch standaardgezicht: als je alle gezichten van iedereen bij elkaar optelt en er één gezicht uit samenstelt, vinden kinderen vanaf de puberleeftijd dat het aantrekkelijkste gezicht. Dat komt doordat de puberteitshormonen de gezichtsherkenningsgebieden in de hersenen veranderen, zowel qua structuur als functie.’

Gaan pubers zich ook anders gedragen doordat ze anders naar gezichten kijken?

‘Ja, hun blik wordt voortdurend naar die symmetrische standaardgezichten getrokken. Maar dat is niet het enige, ze worden ook hypergevoelig voor de emoties op de gezichten van anderen: als we jongeren van rond de 15 in de hersenscanner leggen en hun boze en blije gezichten laten zien, zien we hun gezichtsherkenningssysteem veel emotioneler reageren dan dat van jonge kinderen en 18-jarigen en volwassenen.

Het verklaart waarom pubers zo enorm gevoelig kunnen zijn voor afwijzing. Als je boos naar een puber kijkt, werkt dat heel sterk door bij hem of haar, maar als je blij naar ze kijkt dus ook. Vandaar dat pubers zo snel de slappe lach krijgen. Ze hoeven elkaar maar aan te kijken en ze komen al niet meer bij. Pubers laten zich dus snel in een emotie meeslepen, of het nu positief of negatief is. Volwassenen zijn daarin een stuk gelijkmatiger.’

Wat is de reden dat pubers die extra gevoeligheid voor gezichten krijgen?

‘Dat is niet precies bekend, maar ik denk dat het in de evolutie zo is ontstaan. De puberteit is niet alleen iets van de moderne tijd, ze bestaat al sinds de oudheid – hoewel de manier waarop de samenleving ermee omging niet altijd overeenkwam met de biologische ontwikkeling. Maar goed, waarschijnlijk krijgen pubers die gevoeligheid voor gezichten omdat ze op een punt in hun leven zijn waarop ze de signalen van anderen extra goed moeten kunnen opvangen.

Als puber moet je namelijk leren wat wel en niet gepast is. Aan de ene kant ben je bezig met het vormen van je identiteit en het uitproberen van allerlei gedrag – neem bijvoorbeeld pubers die een tijdje als gothic of emo door het leven gaan – maar aan de andere kant moet je je leren aanpassen aan de normen van de groep. Dan is het handig als je extra scherp kunt waarnemen hoe er op je wordt gereageerd.’

U zei net dat pubers erg gevoelig zijn voor acceptatie en afwijzing. Maar voor volwassenen is dat toch net zo goed een teer punt?

‘Klopt: je hoeft maar een kind, jongere of volwassene achter de computer te zetten, en op het moment dat hij op het scherm ziet dat iemand met hem wil chatten, wordt het beloningscentrum in zijn hersenen superactief. De mens is een extreem sociaal wezen, we hebben nu eenmaal de ingebakken neiging bij elkaar te willen horen. Maar bij pubers is nog iets meer aan de hand.

Doordat hun hersenen gedurende een paar jaar extreem scherp zijn in het aflezen van de emoties op gezichten, merken ze afwijzing nóg eerder op. Maar tegelijkertijd is hun prefrontale cortex nog niet genoeg uitontwikkeld om dat gevoel van afwijzing, dat uit het dieper gelegen emotionele brein komt, af te remmen. Met andere woorden: volwassenen voelen de pijn van afwijzing net zo sterk, alleen kunnen zij zichzelf beter geruststellen met rationele gedachten. Daardoor kalmeert hun emotionele brein veel eerder.’

U doet momenteel onderzoek naar pubers die worden gepest. Wat doet die continue afwijzing met hen?

‘Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben al eerder aangetoond dat het neuronennetwerk voor pijn – dat actief wordt bij zowel fysieke pijn als pijn door afwijzing – bij pubers met weinig vrienden even sterk reageert als bij andere pubers, als ze in een situatie zijn waarin ze worden afgewezen. We denken daarom dat gepeste pubers niet immuun worden voor de pijn van herhaaldelijke afwijzing.

We willen nu nader bekijken wat dat betekent voor hun sociale gedrag: geven degenen die worden gepest het op en trekken ze zich terug, of blijven ze proberen sociale connecties te vormen? En: worden ze beter of juist slechter in het aflezen van de intenties van anderen? Daarvoor zijn we nu gepeste pubers voor langere tijd aan het volgen.’

Heeft u naar aanleiding van uw onderzoek naar het puberbrein een advies aan beleidsmakers?

‘Nou, ik ben geen onderwijsspecialist, maar ik zou ze willen meegeven dat voor een gezonde ontwikkeling van adolescenten meer nodig is dan wat je nu steeds hoort zeggen: “Ze moeten zo hoog mogelijke cijfers halen en zo snel mogelijk worden klaargestoomd voor hun vervolgopleiding.” Jongeren moeten al op hun 16de een vakkenpakket kiezen, maar hun brein is daar dan nog juist helemaal niet aan toe. Ze zouden de vrijheid moeten krijgen hun keuzes tot hun 18de nog te mogen veranderen.

Ze zijn op hun 16de helemaal niet zo bezig met hun opleiding, en des te meer met het verwerven van sociale status onderling. De hoeveelheid testosteron in hun brein vertoont fluctuaties die twintig keer zo groot zijn als bij volwassenen, en hoe meer testosteron, hoe meer je sociale status nastreeft. Geef ze dus de kans om daar eerst hun weg in te zoeken. Dat is minstens zo belangrijk voor hun latere leven als het voltooien van een opleiding.’

Eveline Crone, Het sociale brein van de ­puber, Bert Bakker, € 17,95[/wpgpremiumcontent]