Wat doe je met de resten van een verleden dat overduidelijk niet meer bestaat? Hoeveel verhuizingen blijf je ze met je meeslepen, al die kilo’s puberleed en lang vergeten ruzies? ‘Ik heb het allemaal verbrand,’ bekende collega Marloes. Te gênant om terug te lezen. In de zandbak bij het huis van haar ouders ging de fik erin.

Onbegrijpelijk, vond collega Edwin, die behept is met een goeie dosis Koelemeijer-speurzin en nog altijd hoopt op een mooie dagboekvondst in zijn familie. Als je ’t al niet voor jezelf bewaart, dan toch zeker voor de mensen die na jou komen? Zelf leek me dat nu juist weer een erg ongemakkelijke gedachte – dat je kind of kleinkind later met zo’n boek vol emotionele ontladingen in de handen staat en het allemaal bloedserieus neemt.

We hechten allemaal aan een consistent beeld van wie we zijn. Daarom is de gêne zo groot als we geconfronteerd worden met belastend bewijs uit het verleden. Ben ik dat werkelijk geweest? Dat háár? Die broek? En nog schokkender, want net iets minder grappig: was ik dat echt, die puber die zich wentelde in zelfmedelijden; de studente met de onhandige hand van mannen kiezen en een zwak voor de zwelgboeken van D.H. Lawrence? Ja, mensen veranderen. Meer dan ze zelf denken, weten onderzoekers, want de consistentiebias is sterk.

Tot je zo’n verhuisdoos opentrekt.

De puberdagboeken zal ik misschien met iets mildere nieuwsgierigheid herlezen nu ik zelf zo’n 13-jarige in huis heb. Met de zwelgdagboeken en de brieven van vroegere minnaars weet ik het zo net nog niet. Bewaren, omdat het toch een deel is van wie ik geworden ben? Of nog één keer hard om lachen en verbranden? Ik laat u weten hoe het afloopt.

Komende maanden ben ik met bevallingsverlof, en vindt u hier een wisselcolumn van de redactie. Tot na de zomer!