Denkers en doeners

Er zijn situaties waarin je duidelijk ziet of je te maken hebt met een denker of een doener. Op een parkeerplaats bijvoorbeeld. Daar zetten doeners hun auto op het eerste het beste vrije plekje. Denkers rijden nog een paar rondjes, want waar het hun om gaat is die ene écht goede parkeerplaats vinden: mooi beschut, onder de bomen en natuurlijk het liefst zo dicht mogelijk bij de uitgang.

"Wie zijn eigen strategie mag volgen is blijer met het resultaat"

-

En ’s avonds thuis, dan gedragen doeners en denkers zich ook verschillend. Een typische denker gaat op de bank zitten om de dag nog eens door te nemen: was ik niet een beetje kortaf tegen de postbode toen ik me vanochtend naar mijn werk haastte? En wat zat er nou achter die ene opmerking van collega X? Een doener breekt zijn hoofd niet over dat soort zaken. Die vouwt de was op en zet alvast het ontbijt klaar voor de volgende dag, dan kan hij morgen lekker vlot uit de startblokken schieten.

In de psychologie worden doeners locomotors genoemd en denkers assessors, oftewel bewegers en evalueerders. Doeners willen beweging, verandering en vooruit met de geit; denkers maken liever eerst pas op de plaats. Daarmee scheppen ze de gelegenheid om eerst eens goed te kijken naar wat er allemaal aan de hand is. Vervolgens bepalen ze hun koers en gaan tot actie over.

Niemand is 100% denker of doener

Lang hebben wetenschappers gedacht dat er twee krachten zijn die het gedrag van mensen bepalen. De opvatting was dat alles wat we doen en laten in het teken staat van aan de ene kant het uit de weg gaan van pijn, en aan de andere kant het zo veel mogelijk meemaken van prettige ervaringen.

Maar een team van Amerikaanse onderzoekers onder leiding van psychologen Arie Kruglanski en Tory Higgins ontdekte dat er nóg twee krachten zijn die ons gedrag bepalen. ‘We kwamen erachter dat onze neiging tot denken of doen basale drijfveren zijn,’ vertelt Higgins, hoogleraar psychologie aan de Columbia Universiteit in New York.

In zijn boek Beyond pleasure and pain schrijft hij dat we allemaal denken én doen in ons hebben – in verschillende verhoudingen. De een is meer een denker, de ander meer een doener, en bij weer een ander zijn beide neigingen even sterk.

We vinden het fijn om na te denken of te doen

De innerlijke behoefte aan denken en doen hebben we puur en alleen doordat denken en doen op zich als waardevol aanvoelen. Higgins: ‘Het gaat ons dus niet alleen om wat denken of doen ons onder de streep oplevert, het maakt ook echt uit hoe we dat voor elkaar krijgen. Dus de denker haalt voldoening uit nadenken en de doener uit aanpakken.’

Dat mensen hierin behoorlijk verschillen, komt volgens Higgins door aanleg en door wat ze in hun jeugd hebben meegekregen van de directe omgeving. ‘Maar cultuur speelt ook mee: uit onderzoek blijkt dat in Aziatische culturen de neiging tot denken vaak sterker is, terwijl in de westerse landen veel meer doeners te vinden zijn.’

Onderzoek naar favoriete strategie

Hoe fijn doeners het vinden om te doen en denkers om te denken, bleek uit een experiment van Higgins en zijn collega’s. Een groep proefpersonen die als doeners en een groep die als denkers uit een test waren gekomen, mochten uit verschillende leeslampjes de beste kiezen. Dat ging volgens twee keuzemethoden.

De proefpersonen volgden ofwel de progressieve evaluatie, een typische ‘doener-strategie’ waarbij steeds twee leeslampjes werden gepresenteerd waaruit snel een keuze moest worden gemaakt totdat de beste overbleef. De andere methode heette volledige evaluatie, een typische ‘denker-strategie’. Daarbij moesten alle leeslampjes op alle onderdelen met elkaar worden vergeleken om zo de beste te kunnen kiezen. Deze methode vergde veel meer tijd.

Het experiment was zo ontworpen dat in beide gevallen hetzelfde leeslampje als beste zou eindigen. ‘Dat hadden we zo geregeld omdat we niet de beste keuze onderzochten,’ vertelt Higgins. ‘Wat we wilden weten was: hoe reageren denkers en doeners als ze de keuzemethode mogen gebruiken die bij hun aard past?’ En?

‘Doeners die volgens de doener-strategie te werk waren gegaan, en ook de denkers die hun hart hadden mogen ophalen aan de denker-strategie, waren het meest blij met het leeslampje dat ze hadden gekozen. Dat bleek toen ze de vraag kregen hoeveel ze in een winkel voor het lampje zouden willen betalen. Degenen die hun natuurlijke strategie mochten volgen wilden er 40 procent meer voor betalen dan degenen die niet hun favoriete strategie volgden. En dat dus voor precies hetzelfde lampje.’

Denkers zijn pessimistischer over de toekomst

Hebben doeners en denkers ook heel verschillende persoonlijkheden? Volgens Higgins’ onderzoek wel. Doeners blijken een stuk extraverter te zijn: ze zoeken graag prikkels op, en andere mensen. Ze stappen sneller op dingen af, durven meer, zijn dapperder en moediger. Ook zijn ze emotioneel stabieler.

‘Logisch dat denkers neurotischer zijn: ze vergelijken zichzelf vaak met mensen die het beter doen dan zij, doordat ze op zoek zijn naar de beste manier om iets aan te pakken,’ zegt Higgins. ‘Ze zijn ook alerter op wat er allemaal fout kan gaan, hebben vaker gedachten als: wanneer ik het zus en zo had gedaan, was het misschien anders gelopen. En ze hebben meer spijt van keuzes uit het verleden, zijn pessimistischer over de toekomst doordat ze meer aandacht besteden aan wat er allemaal kan misgaan. Denkers zijn dan ook vaker angstig en depressief.’

Denkers lijken koeler en onvriendelijker

Tja, dat is de keerzijde van overal over nadenken. ‘Voor je welbevinden is het beter om niet alle gevaren te zien,’ gaat Higgins verder. ‘Maar denkers vinden hun speurtocht naar de waarheid enorm belangrijk, ze kunnen niet anders.’

Het zit denkers op nog een ander vlak niet mee: onderzoekers kwamen erachter dat ze als onvriendelijker te boek staan dan doeners. Higgins: ‘Ze vinden zichzelf waarschijnlijk helemaal niet onvriendelijk, zien zichzelf juist als eerlijk en netjes, omdat ze alle feiten in hun overweging meenemen en de dingen heel goed van tevoren uitpluizen. Maar dat is nou precies wat een onvriendelijke indruk kan maken: doordat ze zo op zoek zijn naar “de waarheid” zijn denkers ook de mensen die anderen vaker op hun fouten betrappen, wat maakt dat ze kouder overkomen.’

Doeners zijn beter in oplossingen bedenken

Gek genoeg zijn denkers niet beter in het oplossen van alledaagse conflicten, ontdekte de Amerikaanse psycholoog Christine Webb, momenteel verbonden aan de Universiteit Utrecht, door een serie experimenten. Juist niet. Ze bootste conflicten na en ondervroeg mensen over echte conflictsituaties uit hun leven, zoals onenigheid met een huisgenoot over huishoudelijke taken.

Wat bleek? Doeners komen sneller tot een oplossing dan denkers en ze bereiken effectievere veranderingen in hun relaties. ‘Voor denkers is het proces van analyseren van het conflict een doel op zich, ze halen er bevrediging uit,’ zegt Webb. ‘Denkers willen de zaak tot op de bodem uitzoeken en dan de allerbeste oplossing bedenken. Maar daardoor blijven ze vaak te lang hangen in analyseren en komen ze vaker vast te zitten in het conflict. Doeners willen vooral snel door met hun leven, de status-quo doorbreken, en nemen daarom eerder genoegen met een oplossing die misschien niet de meest ideale is.’

Denkers maken minder fouten

De ironie wil dus dat denkers vooral hechten aan de beste oplossing, maar het resultaat van die nobele houding kan zijn dat ze er juist minder mee bereiken dan doeners. Webb: ‘Ze realiseren zich te weinig dat dé juiste oplossing, waarbij beide partijen geheel tevreden zijn, vaak niet bestaat. Het is dikwijls verstandiger om de pragmatische weg te kiezen en negatieve restgevoelens gewoon maar op de koop toe te nemen, want dan kun je tenminste samen door.’

Maar denkers hebben natuurlijk ook hun kwaliteiten. Zo gaan ze vooral voor hoogstaande idealen, terwijl het voor doeners allemaal snel uitvoerbaar moet zijn. Webb glimlacht: ‘Dat is natuurlijk wel het mooie aan denkers. Zij zijn degenen die kwaliteit leveren en de beste oplossingen uitdenken.’ Daar nemen ze echt de tijd voor. ‘Als we proefpersonen teksten laten controleren, blijkt dat doeners weliswaar sneller zijn, maar ze maken ook meer fouten.’

Uit onderzoek op de werkvloer komt naar voren dat teams met doeners hun werk sneller afhebben, maar meer fouten maken dan teams met denkers. Webb: ‘Het beste zijn teams die bestaan uit doeners én denkers: die zijn even snel als een doenersteam, en net zo accuraat als een team vol denkers. Het beste van twee werelden.’

Zo gaat een denker toch naar de sportschool

Psycholoog Arie Kruglanski, de collega van Tory Higgins, ontwikkelde samen met nog andere collega’s een test waarmee we ons ‘doe-denkprofiel’ kunnen bepalen. De uitslag van de test geeft je basale drijfveren weer, maar als je wilt, kun je je toch anders gedragen, merkte Christine Webb bij haar experimenten. Ze vroeg mensen simpelweg om zich in te beelden hoe het is om een doener of een denker te zijn. ‘Daardoor werden ze automatisch in een doe- dan wel denkmodus gebracht,’ legt ze uit.

Voor wie overmatig doener of denker is, kan zo’n oefening nuttig zijn: je zwakker ontwikkelde kant wordt gestimuleerd. Webb: ‘Maar zo’n oefening kan ook handig zijn voor een specifieke situatie waarin het efficiënter is om je als doener dan wel denker op te stellen. Als je als denker bijvoorbeeld vindt dat je moet gaan sporten, werkt het om jezelf in de doe-modus te brengen. Dus ga niet al te uitgebreid nadenken, maar pak gewoon je sportspullen, spring op de fiets en rijd naar de sportschool.’

Zelf is ze een doener, zegt Webb, en als ze haar belastingformulieren moet invullen, brengt ze zichzelf daarom bewust in de denkmodus door zich een moment te herinneren waarop ze diep moest nadenken. Lachend: ‘Ik ga dan een beetje tegen mijn eigen behoefte in ja, maar puur omdat ik weet dat het beter is. Anders loop ik misschien duizenden euro’s mis.’

Help, mijn man is doener

Webb wil dus maar zeggen: doener zijn heeft goede kanten, maar een te overheersende doe-kant kan ook tegen je werken. ‘Doeners lopen het risico dat ze in hun zucht naar nieuwigheid in zeven sloten tegelijk lopen, en uiteindelijk slechter af zijn dan toen ze begonnen, doordat ze van tevoren niet goed hebben nagedacht en gepland. Mijn vriend is bijvoorbeeld een veel sterkere doener dan denker. Hij is nu ons huis aan het verbouwen, maar hij doet allerlei klussen door elkaar, waardoor het momenteel een chaos is bij ons.’

Maar doeners begínnen tenminste aan een fiets repareren of aan het onderhoud van hun huis. Ze houden van verandering en blijven niet hangen in het afwegen van alle mogelijkheden, maar kopen een blik verf in een mooie kleur en klimmen op een ladder.

Het ideale denk-doeprofiel

Dus wanneer ben je nou het beste af? Als denker of als doener? Heel tevreden mogen de mensen zijn die hoog scoren op beide drijfveren: ze blijken de beste prestaties te leveren. Scholieren met dit profiel bijvoorbeeld halen hogere cijfers. Doordat beide drijfveren even sterk zijn, hebben ze de push van allebei, maar begrenzen ze elkaar ook. Met dit profiel verdrink je nooit in gepeins en sla je niet door in ‘domweg doen’.

Bronnen o.a.: A. Kruglanski e.a., To “do the right thing” or to “just do it”: Locomotion and Assessment as distinct self-regulatory imperatives, Journal of Personality and Social Psychology, 2000 / C. Webb e.a., Moving on or digging deeper: regulatory mode and interpersonal conflict resolution, Journal of Personality and Social Psychology, 2017 / T. Higgins, Beyond pleasure and pain – How motivation works, Oxford University Press, 2011

Zo kom je in de doe-stand

Drie oefeningen voor situaties waarin het nodig is dat je in actie komt.

  1. Denk terug Denk terug aan een keer dat je handelde als een echte doener. Je was lekker bezig en misschien deed je wel meerdere klussen na elkaar. Het oproepen van dit soort herinneringen zorgt ervoor dat je brein in de doe-stand komt, blijkt uit onderzoek van psycholoog Christine Webb.
  2. Vermijd denkplekken Op welke plek bevind je je meestal als je diep in gedachten verzonken bent? In die lekkere stoel bij het raam? Achter je bureau? Die plekken associeert je brein met nadenken. Laat ze dus links liggen als je in actie wilt komen.
  3. Simuleer een deadline Een deadline brengt ons in de doe-modus, zelfs als we een denker zijn. Nu moet het écht af. Spreek daarom een deadline af met je partner of collega, en houd je daaraan (al is het maar om niet teleur te stellen). Bouw wel wat tijd in om na te denken over hoe je de klus wilt aanpakken, maar zeker niet te veel.

Zo kom je in de denk-stand

Drie oefeningen voor situaties die vragen om een doordacht plan.

  1. Ga zitten Keulen en Aken zijn niet in één dag gebouwd, dus waarom zou jij niet af en toe een pauze mogen nemen om te overdenken waar je mee bezig bent? Een zittende houding brengt je makkelijker in die denkstand, zeker als je daarvoor een rustige plek opzoekt.
  2. Pak een pen Begin niet meteen aan een klus, maar pak een stuk papier en beschrijf of teken hoe je die wilt gaan aanpakken. Of maak een schema van alle keuzemogelijkheden die je hebt. Vervolgens kun je aan de slag zonder vast te lopen, en het resultaat zal beter zijn.
  3. Sta open voor alles In de doe-stand lijd je als het ware aan blikvernauwing: je denkt niet na over andere mogelijkheden of oplossingen. Afleiding brengt je in een andere modus. Ga dus niet als een bezetene je klussen zitten klaren, maar maak ook eens een kletspraatje met de buurvrouw of loop een blokje om terwijl je de omgeving op je laat inwerken.