De zienswijze van Watson zou zorgen voor een radicale koersverandering binnen de psychologie en feitelijk zijn de doelstellingen van Crombag in zijn boeken nauwelijks bescheidener. Onverstand en andere misstanden worden op sardonische wijze aan de kaak gesteld. Het grote publiek kon kennismaken met zijn manier van doen in het boek Dubieuze zaken dat hij samen met de Leidse psychologen Peter van Koppen en Willem-Albert Wagenaar schreef. Hierin wordt een theorie over hoe rechters tot beslissingen zouden moeten komen, geconfronteerd met vijfendertig praktijkgevallen waarbij een veroordeling werd uitgesproken op basis van twijfelachtige bewijzen.

De toon in het boek is polemisch en de lezer kan zich af en toe niet aan de indruk onttrekken dat de auteurs heimelijk plezier hebben gehad over de domheid van anderen. Als zij het hebben over het feit dat rechters de rapporten van psychiaters en psychologen te gemakkelijk voor zoete koek slikken, komt het geval van Thomas Vanda aan de orde. Deze Amerikaan vermoordde in 1971 een vijftienjarig meisje, maar werd vrijgesproken omdat hij niet toerekeningsvatbaar zou zijn. Een jaar later vermoordt Vanda een vijfentwintigjarige vrouw en opnieuw wordt hij door de psychiater niet toerekeningsvatbaar geacht. Dan wordt echter een brief van hem onderschept waarin hij een vriend

die in hetzelfde schuitje zit uitlegt hoe hij onder een veroordeling uit kan komen: ‘Je moet zeggen dat je stemmen hoort die hysterisch lachen en dat de vlekken die ze laten zien, je doen denken aan twee mannen die samen de liefde bedrijven.’ Vanda valt door de mand als een begaafd simulant, maar de psychiater laat desondanks weten dat hij zijn mening naar aanleiding van de brief niet heeft bijgesteld. De auteurs concluderen: ‘Ook psychiaters geloven blijkbaar in de regel dat psychiaters altijd gelijk hebben.’

Crombag: ‘Achteraf heb ik wel eens getwijfeld of het wel verstandig is geweest om deze toon aan te slaan. Voor ons was het belangrijk onze boodschap over te brengen, maar de mensen van het gerechtelijk apparaat kregen het gevoel dat zij bespot werden en dan blijf je ongelezen. Men verweet ons dat wij uitzonderingen tot regel verhieven en overdreven kritisch waren, maar er zullen weinig boeken zijn die sneller door de feiten zijn bevestigd dan het onze. Het is tegenwoordig gemeengoed dat er veel mis gaat in de rechtspraak en waar wij in 1992 nog extreem waren in onze kritiek, horen we tegenwoordig tot de gematigde vleugel. Ik heb de indruk dat de waardering voor ons werk nu groter is.’

Dwarsligger In het boek Verloren herinneringen en andere misverstanden, dat Crombag samen met zijn jongere collega Harald Merckelbach schreef, is de confrontatie tot in de titel doorgedrongen. Crombag: ‘Als ik mensen kan tegenspreken dan zal ik dat niet laten. Dat is tenslotte de manier waarop de wetenschap voortschrijdt. Als daar soms een rel of ruzie van komt, vind ik dat ook wel aardig. Ik beleef veel plezier aan een goed debat, maar ik zoek het debat niet om het debat.’

Crombag wijt de felle reacties die hij soms uitlokt aan een samenloop van omstandigheden: ‘In de eerste plaats heb ik heel mijn leven als psycholoog gewerkt aan juridische faculteiten. Ik kon mij daarom nooit richten op vakgenoten, maar moest proberen juristen te bereiken. Het kiezen van een aansprekende vorm was altijd noodzakelijk. Vandaar dat, als ik toch wat opschrijf, ik graag gevat wil zijn. Mijn leermeester Adriaan de Groot heeft eens als commentaar op een van mijn stukken in de kantlijn geschreven dat iets nog niet waar is als het gevat is opgeschreven.’ Een gulle lach breekt door: ‘Nou…, dacht ik toen.’

Een volgende reden voor het soms controversiële karakter van Crombags stukken is dat het hem niet gaat om de wetenschap voor de wetenschap, maar om specifieke toepassingen van de psychologie: ‘Ik bemoei mij met de manier waarop anderen hun werk doen en dat raakt ze direct. Per slot van rekening ben ik een schoolmeester. Tijdens colleges leg ik de studenten dingen uit die zij nog niet begrijpen en dezelfde belerende toon gebruik ik ook in mijn boeken. Het is gemakkelijk daar aanstoot aan te nemen, maar als iedereen het met mij eens zou zijn, hoef ik het niet meer te zeggen.’

Deze uitleg kan echter niet verhullen dat het genoegen van het dwarsliggen Crombag niet vreemd is, maar hij beaamt dit met enige tegenzin: ‘Ik hou mij niet zo met mijn eigen karakter bezig en vind dat eigenlijk niet zo interessant. Als ik zou zeggen dat ik iets doe uit dwarsheid, dan maakt dat mijzelf en mijn vak veel te triviaal, terwijl de inhoud toch altijd voorop staat. De boodschap mag niet verdrinken. Als puntje bij paaltje komt, kan ik heel redelijk zijn in het debat.’

Het onderwerp van de eerst verdrongen en later met behulp van een therapeut weer opgediepte herinneringen, heeft Crombag onderzocht omdat het idee dat seksueel misbruik regelmatig verdrongen wordt, volgens hem ‘in hoge mate gevaarlijk is voor de geestelijke volksgezondheid’. Crombag vindt overigens dat de discussie over dit onderwerp in Nederland niet zo uit de hand gelopen is als in de Verenigde Staten: ‘Er zijn natuurlijk mensen die beweren dat ik een gevaarlijke gek ben, maar daar blijft het dan ook bij. Bij mijn weten zijn persoonlijke verdachtmakingen achterwege gebleven. Er is niemand die zegt dat ik zelf heimelijk lid ben van een pedofiele of satanische sekte. Andersom heb ik ook niets tegen de personen wier ideeën ik bestrijd. Ik leg uit waarom ze het volgens mij bij het verkeerde eind hebben, maar leg ze verder geen strobreed in de weg.’

Deze redelijk ontspannen sfeer is volgens Crombag mogelijk, omdat de vrijheid van meningsuiting in geen land zo goed is geregeld als in Nederland: ‘In Amerika heb je die hele stuitende discussie over politieke correctheid, maar bij ons accepteert iedereen dat je mag zeggen wat je denkt. Je krijgt natuurlijk niet altijd applaus, maar dat is ook nergens voor nodig. Amerikanen zeggen vaak dat zij wonen in the land of the free, maar zij hebben geen idee wat vrijheid betekent. Nee, wat dit betreft wonen wij in een prima landje.’

Deze goede eigenschap van de Nederlandse samenleving heeft voor Crombag echter niets utopisch. Vrijheid van meningsuiting brengt een kakofonie van verschillende meningen met zich mee en in De utopische verleiding komt hij samen met de Belgische filosoof Frank van Dun tot de conclusie dat die verscheidenheid voor al die verschillende utopisten ongewenst is: ‘Volgens utopisten is het probleem met de huidige samenleving dat iedereen eigenzinnig en verschillend is. Zij willen de eenheid herstellen door iedereen zich te laten schikken naar het uitgedachte ideaal. Er zal op die manier een nieuwe mens ontstaan, die het voor iedereen mogelijk maakt zich te wenden tot het absolute geluk.’

De prijs die we voor dit geluk moeten betalen is het opgeven van de eigen identiteit. Crombag: ‘Ik hoef zelf niet meer na te denken, omdat de utopist dat al voor mij gedaan heeft. Het idee is dat men over het goede en het ware niet van mening kan verschillen. Wie het verlichte pad niet wil volgen is dom of – erger nog – onwillig. Vandaar dat experimenten van de communisten en de nazi’s om daadwerkelijk utopieën te stichten op een vreselijke manier uit de hand zijn gelopen. De andersdenkenden werden hardhandig gecorrigeerd.

Adam en Eva De rechtsstaat is precies het tegenovergestelde van de utopie. Deze staatsvorm erkent dat het probleem met mensen niet zozeer is dat zij het goede afwijzen, maar dat zij daar allemaal een andere gedachte over hebben. Verscheidenheid leidt onvermijdelijk tot conflicten en het rechtssysteem is opgezet om deze geschillen op een fatsoenlijke manier op te lossen. Het recht is een scheidsrechter en biedt een procedure om te bepalen wie gelijk krijgt. Het is de vleesgeworden tegenstelling. Vandaar dat de rechtsspraak in utopieën nooit een rol speelt. De geschillen zijn weggedacht, omdat utopisten zich niet willen neerleggen bij de beperkingen die het leven en vooral het samenleven met anderen met zich meebrengen.

Utopieën zoeken aansluiting bij de mythe van het verloren paradijs. Adam en Eva leefden in een godzalige toestand en hadden dankzij de levensboom geen enkele zorg voor hun overleving. Ze waren naïef en hadden geen besef van goed en kwaad. Toen zij echter van de kennisboom aten, verloren zij hun onwetendheid. In zekere zin werden zij daardoor de gelijke van God, maar over zijn gelijken kan en mag God geen rechtstreekse heerschappij meer voeren. Daarom moeten Adam en Eva de hof van Eden verlaten. In het paradijs is slechts plaats voor één kenner van goed en kwaad, voor één waarheid. Zij moeten voortaan zelf de verantwoordelijkheid voor hun beslissingen dragen en temidden van distels en doornen en in het zweet huns aanschijns hun brood verdienen.’

Deze mythe is volgens Crombag psychologisch plausibel: ‘Kennis is een bron van ongeluk. Het besef van eigen lot en sterfelijkheid maakt een mens niet vrolijk. Zelfs op momenten dat wij wel gelukkig zijn, bederven wij dat met het idee dat deze toestand weer voorbij zal gaan.’ Onwetendheid zonder besef van daadwerkelijk of toekomstig verdriet is zalig: ‘De utopie probeert ons terug te voeren naar deze paradijselijke toestand, maar het is een misverstand om te denken dat iedereen dan gelukkig zal zijn. Wie niet meer voor zichzelf nadenkt wordt als mijn kat, die weliswaar een prima leven heeft, maar dat zelf niet beseft. Dit is de utopische paradox. Voor waarlijk gelukkige momenten hebben we het besef nodig hoe goed het met ons gaat. Gisteren hoorde ik op de radio het nummer Big wheels keep on turning van Creedence Cleerwater Revival en moest weer terugdenken aan het moment dat ik hetzelfde nummer hoorde, terwijl ik op een terras uitkeek over de baai van San Francisco. Ik had een groot glas bier voor mijn neus en was volmaakt gelukkig. Maar juist het besef hoe goed het met me ging, maakte alles zo mooi. Zonder dit besef had ik net zo goed met spuitwater in een rotkroeg kunnen zitten. Het geluk komt in kleine porties en die zijn zo klein dat je je afvraagt of je hier alle ellende voor over hebt. En dan zeg ik toch, jawel.’

Het utopische virus In De utopische verleiding schrijven Crombag en Van Dun: ‘Zoals de zaken er in werkelijkheid voorstaan, treft het ongeluk ieder mens met grote regelmaat. Deze ervaring maakt velen tot onverbeterlijke utopisten, die hardnekkig blijven proberen het geluk te waarborgen. Daarbij beschouwen zij het ongeluk als een tijdelijke en eigenlijk onduldbare aberratie, waaraan hoognodig iets gedaan moet worden. Het geluk behoeft zorgvuldige organisatie.’ De utopische visie is zeer begrijpelijk, maar weinig productief. Het staat realistische pogingen om wat van het leven te maken in de weg en het geboden utopische alternatief is een mensonterend ideaal, omdat de mens daarin gedwongen wordt op te houden met zelf na te denken en mens te zijn.

De meeste mensen beseffen dit ook wel en echte utopisten zijn zeldzaam geworden, maar volgens Crombag is het denkklimaat in ons land niet anti-utopisch: ‘Wij zijn een regelzuchtig volkje en hebben een sterk ontwikkelde neiging om alles goed te regelen. Er worden op een volstrekt idiote schaal beleidsnota’s geschreven. De overheid heeft veel uitvoerende taken afgestoten en is druk bezig blauwdrukken te bedenken over hoe het eraan toe zou moeten gaan in de wereld. De departementen zijn denktanks geworden, waar bedacht wordt hoe het anders en beter moet, maar de plannen verdwijnen in een la en de werkelijkheid gaat zijn eigen gang.

Ik denk dat je een beleidsambtenaar geen groter plezier kan doen dan met je allochtone buurman omgaan op een manier die in de laatste minderhedennota is beschreven. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Rottigheid laat zich niet wegdenken. Toch heeft elke gemeente een eigen minderhedenbeleid, maar degenen die de facto iets doen, zijn de laagsten in rang of behoren helemaal niet tot de gemeente. Hetzelfde zie je met drugs. De overheid wil het gebruik verbieden, maar het effect daarvan is averechts en het heeft ons opgezadeld met een enorme criminaliteit. Het onrealistische idee dat je mensen tegen zichzelf kunt beschermen, heeft alleen maar nadelen.’

‘Op het gebied van het milieu lijkt het utopische virus ook een voet aan de grond te hebben gekregen. In de zogenaamde ascetische utopieën probeert men het geluk niet te bewerkstelligen door het waarborgen van overvloed, maar door het afschaffen van de drang naar meer. Iets soortgelijks ziet men bij sommige milieuactivisten. Zij willen de klok terugdraaien en de consumptie beperken. Mensen zouden weer af moeten zien van luxe.

De weg terug is echter onbegaanbaar en de enige oplossing zal dan ook zijn het ontwikkelen van nieuwe technologie om de neveneffecten van de toenemende economische activiteit tegen te gaan. We moeten werken aan schonere auto’s, stillere vliegtuigen en een betere afvalverwerking. Dit neemt niet weg dat ook ik een deel van de consumptie erg frivool vind. Ik ben geen aanbidder van almaar méér en ik snap niet waarom mensen drie keer per jaar op vakantie moeten. Ongebreidelde mobiliteit is niet wenselijk, maar weer op vakantie naar de Veluwe is geen haalbare oplossing.’

Helemaal ongevoelig voor de pogingen van de overheid om zijn gedrag te beïnvloeden is Crombag echter niet: ‘Ik doe de dingen die verboden zijn met een kwaad geweten. Ik rook bijvoorbeeld, maar voor je eigen zwakheden heb je altijd meer begrip dan voor die van anderen. Als een ander 25 pilsjes per avond drinkt, vind ik dat gewoon stom.’

Iedereen kan echter in De utopische verleiding steun vinden voor de gedachte dat hij zelf wel kan bepalen wat goed is. Het boek lijkt opgevat te kunnen worden als een wetenschappelijke onderbouwing van eigenwijsheid: ‘Je zou het boek misschien kunnen uitleggen als de geloofsbelijdenis van een dwarsligger, maar ik heb het zeker niet geschreven als een soort rechtvaardiging van mijn eigen doen en laten. Ik was mij niet bewust dat ik iets moest rechtvaardigen. Wij dachten dat wij iets interessants te vertellen hadden.’

Zijn nieuwste boek De utopische verleiding laat zich omschrijven als de geloofsbelijdenis van een dwarsligger, maar de psycholoog Hans Crombag ontkent dat het een soort apologie is voor zijn eigenwijsheid. ‘De bedenkers van utopieën vragen van mensen om niet meer zelf na te denken en zich te schikken in een uitgedachte leefwijze. Het absolute geluk zou daarmee binnen bereik komen, maar de prijs die je ervoor moet betalen is het opgeven van je eigen identiteit. Dat is niet alleen voor mij een te hoge prijs, maar voor de meeste mensen. Je kunt toch zelf uitmaken wat goed voor je is?’[/wpgpremiumcontent]