aatst roddelde ik met een andere hondenmoeder over een ontaarde hondenmoeder in onze buurt: ze trekt de hond altijd subiet mee als ie ergens aan wil snuffelen. Hij mag niks en je ziet hem hunkerend achterom kijken naar onze hondjes. Zielig! Waarom heb je dan een hond als je er niks aan vindt?! Je moet honden tijd geven om te snuffelen op plekjes waar hun soortgenoten boodschappen hebben achtergelaten, vonden we. ‘Je trekt een mens toch ook niet achter de computer vandaan als ie een mail zit te lezen!’ vond de lieve hondenmoeder.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe beter ik die vergelijking vind. Mensen laten boodschappen achter met taal. Met woorden kunnen ze verwijzen naar iets dat niet (meer) in de onmiddellijke nabijheid is. We vinden dat heel uniek, maar honden doen hetzelfde met geur. Wij kunnen ook de sporen van brand of een knoflookmaaltijd ruiken, en daarmee het verleden ‘zien’. Door zijn veel grotere reukvermogen leeft de hond in een wereld die voor ons goeddeels onzichtbaar is. Mijn ene hond rent in het bos soms weg, achter de geur aan van een konijn dat daar allang niet meer loopt. Als ik dan mijn andere hond volg, vinden we

hem gauw weer terug.

Mensen hebben de neiging zichzelf te zien als de kroon op de schepping, omdat ze bepaalde vermogens hebben die andere dieren missen. We vergeten dat omgekeerd vele dieren ook vermogens hebben die wij missen. Alleen al op het vlak van de zintuiglijke waarneming is er een wereld die compleet aan ons voorbijgaat – van geuren, maar ook kleuren (bijvoorbeeld ultraviolet), geluidsfrequenties, andere trillingen en allerlei signalen die wij domweg niet kunnen waarnemen. Zo wordt verondersteld dat dieren behoorlijk goede voorspellers kunnen zijn van weersveranderingen, natuurrampen (denk aan de tsunami van 2004), emoties en de gesteldheid van mensen (bijvoorbeeld epilepsieaanvallen).

De superioriteit die we onszelf toedichten hangt wellicht samen met het principe van de ‘onbekende onbekenden’: je weet niet wat je niet weet. Er is een complete wereld die we niet zien, en het belang daarvan kunnen we onmogelijk beseffen juist doordat die niet waarneembaar is.

Uit een andere hoek van de psychologie komt geleidelijk het besef binnenwaaien dat we allerlei dingen beter doen wanneer we onze instincten volgen en onze unieke ‘hogere’ mentale functies buitenspel zetten. Onze eerste indrukken blijken in de eerste tien à twintig seconden al behoorlijk te kloppen; van lang nadenken worden ze helemaal niet beter. We weten instinctief op wie we vallen, wie leiderschapskwaliteiten heeft, voor wie we moeten oppassen en hoe de verhoudingen liggen als we mensen samen zien. Eigenlijk werkt het bij ons net als bij alle sociale dieren. Het zou me niets verbazen als Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren gelijk krijgt met haar voorspelling dat dit de eeuw van het dier wordt. Omdat we met al onze kennis komen tot dit fundamentele besef: dieren zijn onze gelijkwaardigen, want mensen zijn dieren – dieren met heel veel verbeelding.

Roos Vonk is hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, auteur en managementconsultant. (www.roosvonk.nl)[/wpgpremiumcontent]